Conclusie
eerstemiddel klaagt dat de bewezenverklaring en de verwerping van het verweer dat de verdachte geen opzet had op de dood in het licht van hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd onbegrijpelijk zijn, althans onvoldoende met redenen omkleed.
Een proces-verbaal van aangifted.d. 2 november 2013 van de politie Haaglanden (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
[slachtoffer]:
De achter de aangifte gevoegde foto’sop blz. 48 en 49 van het dossier, waarop het hof een verwonding waarneemt enigszins rechts van het midden van de borstkas aan de onderkant van de rechterborst.
Een proces-verbaal van verhoor verdachted.d. 13 november 2013 van de politie Haaglanden (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
de verdachte:
De verklaring van de verdachte.
Een proces-verbaal van verhoor getuiged.d. 2 november 2013 van de politie Haaglanden (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
[getuige 2]:
geneeskundige verklaringd.d. 19 december 2013, opgemaakt en ondertekend door de arts S.J. Rhemkev, chirurg. Deze geneeskundige verklaring houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
onderzijn rechter borst is gestoken, uit de foto’s blijkt dat sprake is van een verwonding ‘enigszins rechts van het midden van de borstkas aan de
onderkantvan de rechterborst’ en uit de geneeskundige verklaring slechts volgt dat het waargenomen letsel bestaat uit een ‘steekwond thorax’.’ De bewezenverklaring en/of de verwerping van het verweer inhoudend dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de aangever in zijn rechterborst is gestoken, zou(den) daarom onvoldoende met redenen zijn omkleed.
in de borststeken blijkt hier niet. De als bewijsmiddel 4 gebezigde verklaring van de verdachte houdt, zo bleek, echter wel in dat de verdachte zijn mes trok en dat hij wist dat hij [slachtoffer] op dat moment ging steken. In het licht daarvan heeft het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat de verdachte het slachtoffer weliswaar niet gericht in de borst heeft gestoken, maar dat wel sprake was van het bewust steken van het slachtoffer. [2]
NJ2017/198 m.nt. Rozemond. [5] Daarin was de verdachte veroordeeld wegens een poging tot doodslag, hij had éénmaal met kracht in de buik van het slachtoffer gestoken. Bijzonder was, dat de verdachte door een steekwerend vest dat het slachtoffer droeg heen had gestoken. De enkele als verweer aangevoerde omstandigheid dat de toegebrachte verwonding niet levensbedreigend bleek omdat het slachtoffer dat vest droeg, stond volgens Uw Raad niet aan de bewezenverklaring in de weg. Daarbij vervolgde Uw Raad met de overweging dat ‘zo'n bijzondere omstandigheid als het dragen van een steekwerend vest niet onverenigbaar (is) met de voor een poging toereikende vaststelling dat het met kracht steken van een mes in de buikstreek normaal gesproken een aanmerkelijke kans op de dood doet ontstaan.’ Uit deze uitspraak volgt niet dat het in de buik steken met een mes enkel een poging tot doodslag oplevert als het steken met kracht plaatsvindt. Maar het is wel een factor die van belang kan zijn bij het onderbouwen van het oordeel dat het steken door de verdachte op de dood van het slachtoffer gericht was. In de onderhavige strafzaak blijkt uit de vaststellingen van het hof als gezegd niet dat met kracht gestoken is. Anderzijds volgt uit de bewijsvoering van het hof ook niet dat de verdachte met geringe kracht zou hebben gestoken.
tweedemiddel klaagt dat ‘s hofs verwerping van het beroep op noodweer(exces) van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en/of dat het verweer onbegrijpelijk althans onvoldoende met redenen omkleed is verworpen.
Uitdrukkelijk onderbouw standpunt, noodweer
Moment 1. gebeurtenissen in club [A]
Moment 2. de gebeurtenissen bij de gevel van [B] (…)
[verdachte] loopt weg, van de groep af. Aangever loopt echter achter [verdachte] aan;
[verdachte] wordt door aangever met kracht (…) geduwd en klapt met zijn hoofd tegen het raam(…).;
[verdachte] klapt voor de tweede keer met zijn hoofd tegen het raam.Getuige [getuige 1] wordt door [getuige 2] tegengehouden, terwijl [betrokkene 2] aangever probeert weg te trekken (…).
de eigenlijke wederrechtelijke aanranding tegen [verdachte] begint.[verdachte] krijgt van meerdere mensen klappen tegen het hoofd en/of lichaam;
aangever vecht met zijn eigen groep zelf verder.
Getuige [getuige 2] , een getuige die bij aangever hoort:
“Toen [slachtoffer] zich losrukte, herinner ik mij wel hij op [verdachte] afging. U vraagt mij of hij toen weg kon gaan. Hij kon op dat moment niet meer wegkomen.”
Getuige [getuige 3] , een objectieve getuige, zijnde taxichauffeur:
Getuige [getuige 4] , een objectieve getuige:
nietof hij daadwerkelijk iemand had geraakt. Om die reden heeft [verdachte] niet opzettelijk voor de borststreek gekozen dan wel geraakt. Het kan [verdachte] derhalve niet -omdat hij door de black-out niks zag- worden tegenworpen dat hij, al dan niet opzettelijk, in de borststreek heeft gestoken. Uit de camerabeelden blijkt juist dat meerdere mannen wisselend en beweeglijk voor [verdachte] stonden en
(BFK: hij)van meerdere kanten meerdere klappen kreeg. Mede omdat [verdachte] een black-out had en de belagers in een groep zich bewegend voor [verdachte] ophielden, heeft [verdachte] ook niet in voorwaardelijke zin opzet gehad om aangever in de borststreek te raken. Onder de gestelde omstandigheden kan [verdachte] primair geen verwijt worden gemaakt dat hij opzettelijk, ook in voorwaardelijke zin niet, in de borststreek heeft gestoken.
niethet gewenste effect zou (kunnen) opleveren. Uit de camerabeelden en de getuigenverklaringen blijkt dat [verdachte] op het moment van de wederrechtelijke aanranding door minimaal aangever en [getuige 1] met grote kracht werd geslagen. De vrouwen verstrekte getalsmatig de groep. Door het getalsmatige overwicht aan personen en het geweld was de kans -bij het dreigen met een mes- groot dat het mes zou worden afgepakt en zelf tegen [verdachte] zou worden gebruikt. Het dreigen met het mes is onder gestelde omstandigheden geen reële optie om het geweld af te wenden en zich van de situatie los te maken.
Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, noodweerexces
Noodweer
NJ2016/316 m.nt. Rozemond) omtrent de eis van proportionaliteit het volgende overwogen:
NJ2008/233. Daarin was vastgesteld dat de verdachte, die op de grond lag en wilde dat zijn aanvaller, die boven op hem zat, van hem af ging, deze met een opengeklapt zakmes met kracht een diepe steekwond in de rug had toegebracht. Uw Raad was van oordeel dat ’s hofs verwerping van het beroep op noodweer niet onbegrijpelijk was, ‘in aanmerking genomen dat (…) de verdachte zich tegen de aanval heeft verdedigd door met kracht een diepe steekwond in de rug van het slachtoffer toe te brengen als gevolg waarvan het slachtoffer verwondingen heeft opgelopen die fataal zouden zijn geweest als het slachtoffer niet tijdig medisch was behandeld, terwijl de aanval op de verdachte bestond uit het slaan met de blote hand dan wel vuist’. Die zaak wijkt (in ieder geval) in zoverre van de onderhavige af dat de verdachte in de onderhavige zaak blijkens ’s hofs vaststellingen niet alleen door het latere slachtoffer maar ook door een andere man werd aangevallen en dat getuigen hebben verklaard dat de verdachte niet weg kon komen. Tegelijk komt -bij de bewezenverklaring van poging tot doodslag- naar het mij voorkomt weinig betekenis toe aan de omstandigheid dat in casu per saldo niet een diepe, potentieel dodelijke steekwond is toegebracht.
NJ2017/250 bijvoorbeeld had de 73-jarige verdachte die thuis door twee mannen belaagd werd (waarvan één wordt aangeduid als ‘de gorilla’), op hen geschoten na eerst met het wapen gedreigd te hebben. ’s Hofs oordeel dat het van dichtbij schieten door de verdachte op het bovenlichaam van één van beide slachtoffers niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van de dreigende aanranding was volgens Uw Raad niet zonder meer begrijpelijk. Daaraan staat niet in de weg dat nergens uit blijkt dat beide mannen met meer gewapend waren dan hun blote vuisten. [8]
NJ2018/131 m.nt. Wolswijk was het zwaaien met een mes dichtbij het bovenlichaam van het slachtoffer en het deze daarbij raken met dat mes in diens bovenlichaam als een poging tot zware mishandeling aangemerkt. ‘s Hofs oordeel dat het maken van een zwaaiende beweging met het mes niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding was volgens Uw Raad niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij nam Uw Raad in aanmerking dat de aanranding niet alleen heeft bestaan uit het buiten onderaan de trap stevig beet houden van de verdachte door het slachtoffer, maar dat het latere slachtoffer daaraan voorafgaand de benedendeur van de woning van de verdachte had geforceerd terwijl deze in zijn bovenwoning lag te slapen, dat het latere slachtoffer de verdachte in de bovenwoning tegen diens dressoir heeft gesmeten en dat de verdachte vervolgens – nadat hij in de gelegenheid was gesteld zich aan te kleden – mee naar beneden moest en door het latere slachtoffer, die hem stevig bij zijn shirt beet hield, mee de trap af is getrokken. [9] In deze zaak was door het hof enerzijds niet vastgesteld dat het steken met (voorwaardelijk) opzet op de dood had plaatsgevonden, anderzijds waren de geweldshandelingen gepleegd door het latere slachtoffer minder ernstig dan in de onderhavige zaak.
NJ2008/233 overweegt het hof dat ‘(n)iet aannemelijk is geworden dat verdachte niet minder vergaande middelen ter beschikking stonden dan gebruikmaking van het mes. Zo had verdachte bijvoorbeeld het mes uit zijn handen kunnen laten vallen en zich aldus met de blote hand tegen de aanval kunnen verdedigen.’ [11] Dat alternatief stond, zo mag worden aangenomen, niet ter beschikking aan de 73-jarige man die in zijn eigen huis door ‘de gorilla’ en een kompaan werd belaagd (het hof heeft dat in ieder geval niet vastgesteld). En ook in HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1162,
NJ2018/131 m.nt. Wolswijk was door het hof niet vastgesteld dat de verdachte zich er met zijn blote handen uit had kunnen redden.
NJ2013/165, waarin Uw Raad overwoog:
indiendeze zou zijn vastgesteld, geen feiten en omstandigheden die er op wijzen dat hij daadwerkelijk in een hevige gemoedsbeweging handelde. Zo maakt het middel geen melding van een verklaring van de verdachte zelf die daarop wijst. Mede in dat licht komt de summiere verwerping van dit verweer mij toereikend voor. Daarbij dient te worden bedacht dat ’s hofs oordeel van feitelijke aard is [16] , zodat dit in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst.