Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en gebezigde bewijsmiddelen
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
13 november 2018.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld wegens lokaalvredebreuk door zich niet te verwijderen op vordering van een bevoegde ambtenaar in een politiebureau, rechtbank en gerechtsgebouw.
De kern van het geschil betrof de uitleg van art. 139, eerste lid, Sr, met name of de vordering tot verwijdering moest zijn gedaan door een 'bevoegde ambtenaar'. De Hoge Raad oordeelde dat deze term moet worden begrepen als een vordering namens de rechthebbende van het voor de openbare dienst bestemde lokaal, zoals de Staat of gemeente. Onder 'ambtenaar' valt ook degene die onder toezicht van de overheid een openbare functie vervult.
De bewezenverklaring steunde op proces-verbalen waarin verbalisanten de verdachte meerdere malen vorderden het betreffende gebouw te verlaten, waarbij zij hun bevoegdheid aantoonden. De Hoge Raad vond dat de bestreden uitspraak geen onjuiste uitleg van de wet bevatte en dat de bewezenverklaring voldoende gemotiveerd was.
Het beroep werd verworpen, waarmee de veroordeling wegens lokaalvredebreuk in stand bleef.
Uitkomst: Het beroep van verdachte wordt verworpen en de veroordeling wegens lokaalvredebreuk bevestigd.