Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2018:2114

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 november 2018
Publicatiedatum
15 november 2018
Zaaknummer
18/04103
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Prejudiciële beslissing
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27ga lid 1 AWRArt. 27ga lid 8 AWRVerordening 1408/71Besluit A1
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad ziet af van beantwoording prejudiciële vragen over A1-verklaring en premie volksverzekeringen

Belanghebbende, een Nederlandse werknemer werkzaam op een binnenschip en in loondienst bij een Luxemburgse vennootschap, was in geschil met de Inspecteur over de heffing van premie volksverzekeringen over de jaren 2011 tot en met 2013. Het Hof ’s-Hertogenbosch legde prejudiciële vragen voor aan de Hoge Raad over de gevolgen van het niet naleven van Europese procedurevoorschriften en de geldigheid van een E101-verklaring.

De Inspecteur overhandigde een bindende A1-verklaring van 19 september 2018, die volgens hem de prejudiciële vragen overbodig maakte. De Hoge Raad oordeelde dat de kernvraag over de werking van een A1-verklaring in belastingrechtelijke procedures reeds was beantwoord in een eerder arrest van 5 oktober 2018, waardoor beantwoording niet nodig was.

Daarnaast werd overwogen dat de geldigheid van de E101-verklaring niet was vastgesteld en dat de tweede prejudiciële vraag daarom niet relevant was. De Hoge Raad besloot daarom af te zien van beantwoording van de prejudiciële vragen en bevestigde hiermee de bindende werking van de A1-verklaring in deze context.

Uitkomst: De Hoge Raad ziet af van beantwoording van de prejudiciële vragen over de werking van de A1-verklaring en premie volksverzekeringen.

Uitspraak

16 november 2018
nr. 18/04103
Arrest
in het geding tussen
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) en de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur), waarin het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschbij uitspraak van 27 september 2018, nrs. 17/00636 tot en met 17/00638, op de voet van artikel 27ga van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vragen aan de Hoge Raad heeft voorgelegd ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing. De uitspraak van het Hof is aan deze beslissing gehecht.

1.De procedure in feitelijke instanties

1.1.
Aan belanghebbende zijn over het jaar 2011 en voor de jaren 2012 en 2013 (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd.
1.2.
Na daartegen gemaakte bezwaren heeft de Inspecteur deze aanslagen gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Voor het Hof is in geschil of belanghebbende in de jaren 2011, 2012 en 2013 recht heeft op vrijstelling van de heffing van premie volksverzekeringen.

2.Het procesverloop bij de Hoge Raad

Het Hof heeft prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorgelegd. Het Hof acht een antwoord op deze vragen nodig om te kunnen beslissen op het bij het Hof aanhangige hoger beroep van belanghebbende met betrekking tot de aan hem over het jaar 2011 en voor de jaren 2012 en 2013 opgelegde (navorderings)aanslagen IB/PVV.

3.De prejudiciële vragen van het Hof

Het Hof heeft de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorgelegd:
“I. Dient aan het door Nederland niet naleven van de procedurevoorschriften in de basisverordening, de toepassingsverordening en het Besluit A1 de consequentie te worden verbonden dat de Inspecteur geen premie volksverzekeringen van een belanghebbende kan heffen, als een andere lidstaat deze belanghebbende reeds aan de toepassing van zijn sociale verzekeringswetgeving heeft onderworpen en reeds eerder van die belanghebbende sociale verzekeringspremies heeft geheven?
II. Is Nederland na 1 mei 2010 gebonden aan een voor deze datum door de bevoegde Luxemburgse autoriteit afgegeven E101-verklaring, terwijl deze aan een Rijnvarende afgegeven E101-verklaring op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef, onderdeel a van de Verordening 1408/71 voor 1 mei 2010 niet kon worden geacht een E101-verklaring te zijn en deze E101‑verklaring daarom Nederland niet bond voor deze datum?”
4. Beoordeling of de vragen zich lenen voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing
4.1.
Bij de beoordeling of de vragen zich lenen voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, gaat de Hoge Raad uit van het volgende.
4.1.1.
Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in 2011, 2012 en 2013 in Nederland. In die jaren was belanghebbende in loondienst werkzaam op een binnenschip ten behoeve waarvan een rijnvaartverklaring is afgegeven. Belanghebbende stond in die jaren op de loonlijst van een vennootschap naar het recht van Luxemburg, gevestigd te Luxemburg.
4.1.2.
Aan belanghebbende is door de bevoegde Luxemburgse autoriteiten op 24 maart 2006 een E101‑verklaring afgegeven.
4.1.3.
Nadat het Hof belanghebbende en de Inspecteur gelegenheid had gegeven zich uit te laten over het voornemen van het Hof om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen, heeft de Inspecteur aan het Hof een tot belanghebbende gerichte A1-verklaring van 19 september 2018 van de SVB overgelegd. In die verklaring staat onder meer dat deze geldt van 1 januari 2011 tot 16 november 2014, dat belanghebbende werknemer is van [C], dat hij werkzaam is op het schip [A] en dat de exploitant [B] B.V. te Nederland is. Daarbij heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat het stellen van de voorgenomen prejudiciële vragen niet meer relevant is, omdat de A1-verklaring van 19 september 2018 bindend is voor de Inspecteur en voor het Hof.
4.2.
Vervolgens heeft het Hof onder meer overwogen dat het, gelet op de bij zijn uitspraken van 19 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1644 en ECLI:NL:GHSHE:2018:1665, aan de Hoge Raad voorgelegde prejudiciële vragen, aangewezen is de onderhavige kwestie alsnog ook prejudicieel aan de Hoge Raad voor te leggen, opdat een zo compleet mogelijk beeld van de onderwerpelijke problematiek aan de Hoge Raad wordt voorgelegd (rechtsoverweging 4.56).
4.3.
De prejudiciële vragen zijn voorgelegd na de hiervoor in 4.1.3 genoemde A1-verklaring van 19 september 2018 en behelzen daarmee naar de kern genomen de vraag naar de werking van een door de SVB verstrekte A1-verklaring in een belastingrechtelijke procedure. Deze vraag heeft reeds zijn beantwoording gevonden in het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2018, nr. 18/01619, ECLI:NL:HR:2018:1725, zodat er geen aanleiding is om de vragen op de voet van de artikelen 27ga e.v. AWR te beantwoorden.
4.4.1.
Met betrekking tot de tweede prejudiciële vraag komt daar het volgende bij.
4.4.2.
Voor het Hof heeft belanghebbende het standpunt ingenomen dat de E101-verklaring nimmer is ingetrokken. De Inspecteur heeft daarentegen aangevoerd dat de E101-verklaring niet meer geldig is. Daarbij heeft de Inspecteur vermeld dat hij bij brief van 1 augustus 2016 het bevoegde orgaan in Luxemburg heeft verzocht de E101‑verklaring ongeldig te verklaren en dat het bevoegde orgaan in Luxemburg vervolgens bij brief van 2 augustus 2016 aan de SVB heeft bericht dat de E101‑verklaring met ingang van 1 januari 2007 is ingetrokken.
4.4.3.
Het Hof heeft niet vastgesteld of de E101‑verklaring nog van kracht is. Indien voor het Hof komt vast te staan dat de E101-verklaring niet meer geldig is, is de tweede prejudiciële vraag niet ter zake dienend. Daarom kan thans niet worden gezegd dat een antwoord op de tweede vraag nodig is om op het hoger beroep te beslissen, zoals artikel 27ga, lid 1, AWR vereist.
4.5.
Op grond van het voorgaande zal de Hoge Raad, gehoord de Procureur-Generaal, afzien van beantwoording van de prejudiciële vragen.

5.Beslissing

De Hoge Raad ziet af van beantwoording van de prejudiciële vragen.
Deze beslissing is gegeven door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J.A.C.A. Overgaauw, M.A. Fierstra, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2018.