Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
kantoorhoudende te Alkmaar,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
- i) Bogra is een producent en leverancier van uitvaartkisten, urnen en aanverwante artikelen.
- ii) [eiser] is in 1984 in dienst getreden bij Bogra, en heeft vanaf 6 september 1997 gewerkt in de functie van assistent chef machinale (salarisgroep F3). Vanaf 2007 heeft [eiser] gedurende ongeveer 3 jaar gefunctioneerd als chef machinale, ter vervanging van zijn leidinggevende. [eiser] is vervolgens ingezet voor diverse werkzaamheden in het productieproces. [eiser] heeft van september 1997 tot 1 juli 2013 steeds het salaris voor de functie van assistent chef machinale verdiend. Het tot 1 juli 2013 verdiende salaris van [eiser] bedroeg laatstelijk € 3.101,72 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en andere emolumenten.
Daarin schrijft Bogra dat zij haar strategie heeft moeten bijstellen om een viertal redenen, waarbij – naast de ontoereikende productiecapaciteit en de beoogde verbetering van de kwaliteit– worden genoemd de wens van Bogra om zich in te dekken tegen het risico dat langlopende contracten met grote partijen niet worden verlengd en de omstandigheid dat het productieapparaat sterk verouderd is. Verder legt Bogra in dit memo een salaris-afbouwregeling voor aan medewerkers die door de reorganisatie vanuit een hogere naar een lagere functie zijn gegaan, en daarvoor nog het hogere salaris ontvangen. Deze regeling luidt als volgt:
Met ingang van 1 oktober 2013 een bruto maandloon van € 2.273,13 en met ingang van 1 mei 2014 een bruto maandloon van € 2.290,18 bij een volledig dienstverband.”
Daarbij is van belang dat een werknemer in de verhouding tot zijn werkgever verplicht is de bedongen arbeid te verrichten, en hij het risico loopt dat het niet verrichten van opgedragen werkzaamheden als werkweigering zal worden aangemerkt.
4.Beslissing
23 november 2018.