Conclusie
Instemming met wijziging
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep
Onderdeel 1klaagt dat door het hof geen feiten en/of omstandigheden zijn aangegeven die maken dat bij Werkgever het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Werknemers hun aanspraken op de (oude) premieverdeling niet meer geldend kunnen maken.
Onderdeel 2klaagt over innerlijke tegenstrijdigheid van rov. 3.7.1-3.7.9 met rov. 3.6.1-3.6.10, in het bijzonder rov. 3.6.8. Volgens
onderdeel 3heeft het hof zijn oordeel in de bestreden rechtsoverwegingen niet (kenbaar) gebaseerd op alle omstandigheden van het geval.
Onderdeel 4klaagt dat in de bestreden rechtsoverwegingen het beroep van Werknemers op gelijke behandeling als verweer tegen het rechtsverwerkingsberoep van Werkgever is miskend en genegeerd (
subonderdeel 4.a). Daarmee is ook het grievenstelsel van art. 347 Rv Pro miskend, althans is buiten de rechtsstrijd getreden en/of is sprake van ontoereikende motivering (
subonderdeel 4.b).
Onderdeel 5klaagt dat het passeren van het bewijsaanbod van Werknemers in rov. 3.7.10 ontoereikend is gemotiveerd.
de gedragingvan de rechthebbende centraal. Dit kan zowel een doen als een nalaten zijn [11] . De vraag of een rechthebbende van een bepaald recht zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van dat recht, moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval [12] .
bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewektdat de rechthebbende zijn aanspraak op zijn recht niet meer geldend zou maken. In het tweede geval moeten bijzondere omstandigheden in combinatie met de gedraging van de rechthebbende ertoe hebben geleid dat
de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou wordenindien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend gemaakt wordt [13] . Het tweede geval kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als de wederpartij door de gedraging van de rechthebbende onredelijk is benadeeld in zijn bewijspositie [14] of als de wederpartij onvoldoende of niet heeft kunnen anticiperen op de financiële gevolgen van het (alsnog) geldend maken van het betrokken recht [15] .
enigeomstandigheid (louter stilzitten) is het niet toereikend voor rechtsverwerking, daarvoor zijn aanvullende bijzondere omstandigheden vereist [18] . Stilzitten kan tot rechtsverwerking leiden wanneer op grond van de omstandigheden van het geval redelijkerwijs een bepaald handelen van de rechthebbende had mogen worden verwacht [19] , zoals het arrest
[…] / […] [20] illustreert. Een werknemer vorderde uitbetaling van overuren, waartegen de werkgever zich onder meer verweerde met een beroep op rechtsverwerking. Geoordeeld werd dat de rechtbank niet had miskend dat ‘enkel stilzitten’ onvoldoende was om rechtsverwerking aan te nemen omdat zij naast het niet protesteren door de werknemer (van het niet uitbetaald krijgen van overuren) mede redengevend had geacht dat de werknemer steeds genoegen had genomen met uitbetaling van loon zonder overuren en niettemin zeer veel overuren bleef maken [21] .
subonderdeel 1.a.geeft rov. 3.7.1-3.7.9. blijk van een onjuiste rechtsopvatting over art. 6:248 lid 2 BW Pro, althans over het daarmee samenhangende door het hof gehanteerde juridische begrip 'rechtsverwerking', doordat aan dat oordeel geen feiten en/of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd die maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor bij Werkgever het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Werknemers hun aanspraken niet meer geldend konden maken. Het hof had volgens de maatstaf uit rov. 3.7.2, en gelet op
Bab/Cordial c.s. & MHS,rov. 4.2 [27] , in de overwegingen volgend op rov. 3.7.2 de concrete feiten en omstandigheden moeten benoemen die tot dit gerechtvaardigd vertrouwen hebben geleid. Volgens de toelichting op de klacht in de PI kan enkel 'stilzitten' van Werknemers hier niet volstaan, maar is een meer specifieke handeling van Werknemers vereist [28] . De beslissende overwegingen komen er evenwel op neer dat voor het hof slechts van belang is dat Werknemers te lang hebben ‘stilgezeten’ [29] . Waarom
datstilzitten van Werknemers bij Werkgever – al dan niet in samenhang met andere omstandigheden – heeft kunnen en mogen leiden tot de conclusie dat sprake is van (i) bijzondere omstandigheden (ii) op grond waarvan Werkgever gerechtvaardigd heeft vertrouwd dat Werknemers hun aanspraken niet meer geldend kunnen maken, wordt door het hof feitelijk niet ingekleurd. Voor zover het hof van oordeel was dat dergelijke omstandigheden niet relevant zijn, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zo besluit de toelichting op deze klacht in de PI.
of(ii) waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt. Zoals hiervoor in 3.4 besproken, gaat het hier om twee zelfstandige gronden die beiden de conclusie dat sprake is van rechtsverwerking kunnen dragen. Het hof heeft in rov. 3.7.4-3.7.9 gemotiveerd geoordeeld dat Werkgever gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval op beide gronden een geldig beroep op rechtsverwerking toekomt. De klachten van onderdeel 1 zijn alleen gericht tegen één pijler, namelijk dat bij Werkgever het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Werknemers hun aanspraak niet meer geldend zouden maken. De klachten zijn niet gericht tegen de andere pijler, dus dat de positie van Werkgever onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden wanneer (onder andere) Werknemers hun recht alsnog geldend zouden maken – wat er verder zij van de motivering daarvoor in rov. 3.7.8, maar daar is geen kenbare klacht tegen gericht. Nu die laatstbedoelde zelfstandig dragende pijler in cassatie niet (kenbaar) wordt bestreden, ontbreekt belang bij de klachten van onderdeel 1.
Bab/Cordial c.s. & MHS, al aangehaald, is terecht geoordeeld dat daaruit volgt dat stilzitten van de rechthebbende kan leiden tot rechtsverwerking wanneer op grond van de omstandigheden van het geval handelen van de rechthebbende had mogen worden verwacht, zoals hiervoor is besproken. Het hof heeft vervolgens in rov. 3.7.4 geoordeeld dat in deze zaak bijzondere omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan dit zich hier voordoet en het stilzitten van Werknemers bij Werkgever zodoende het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij hun aanspraak niet meer geldend zouden maken, althans waardoor de positie van Werkgever onredelijk verzwaard en benadeeld is. Het hof heeft dit oordeel in de daarop volgende rechtsoverwegingen gemotiveerd aan de hand van verschillende omstandigheden die in het partijdebat aan de orde zijn gekomen (in de komende voetnoten verwijzingen naar vindplaatsen in de stukken uit de feitelijke instanties):
onderdeel 2is het rechtsverwerkingsoordeel in rov. 3.7.1-3.7.9 onjuist en onbegrijpelijk omdat die overwegingen innerlijk tegenstrijdig zijn met de eerdere rov. 3.6.1- 3.6.10, waarbij de klacht specifiek refereert aan rov. 3.6.8 en (een passage uit) rov. 3.7.7, die de klacht citeert:
ingestemd. De tweede vraag in rov. 3.7.7 was of Werknemers hun
recht op nakomingvan de oude premielastverdeling
hebben verwerkt. Dat de lat bij de eerste kwestie in dit geval ‘hoger’ ligt dan in het tweede geval, hoeft niet te verbazen vanwege het navolgende.
welbewust hebben ingestemdmet de wijziging van de premielastverdeling. Daarvan is geen sprake volgens het hof. Daarbij is onder meer van belang dat Werkgever de wijziging in de premielastverdeling
eenzijdig heeft opgelegden de wijziging niet heeft gepresenteerd als een voorstel waarmee Werknemers al dan niet akkoord konden gaan (rov. 3.6.6) [44] , waarbij Werkgever Werknemers bovendien onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over de wijziging (rov. 3.6.7). In rov. 3.6.8 is vervolgens geoordeeld dat Werkgever de vereiste welbewuste instemming ook niet heeft kunnen aannemen op grond van andere omstandigheden, te weten dat op het brutoloon van Werknemers vanaf 1 januari 2014 een bedrag is ingehouden wegens pensioenpremie en dat zij de compensatie van € 100 (pro rata) hebben behouden. Instemming van Werknemers kon volgens het hof niet op grond daarvan worden aangenomen omdat Werknemers tot de hofuitspraken in de 7:613-procedures in 2018 in de veronderstelling verkeerden dat Werkgever correct handelde met haar beroep op het eenzijdig wijzigingsbeding. Het hofoordeel dat Werknemers hebben mogen vertrouwen dat sprake was van bedoeld zwaarwichtig belang aan de zijde van Werkgever tot aan die uitspraken in de 7:613-procedures moet dus worden bezien in de juiste sleutel: als motivering waarom Werkgever niet heeft mogen aannemen dat Werknemers
welbewust hebben ingestemdmet de wijziging in de premielastverdeling en er dus een nieuwe overeenkomst op dat punt tot stand is gekomen.
eerderwaren opgekomen tegen de inhoudingen op hun brutoloon en dat zij daar niet jarenlang mee zouden wachten – althans bij Werkgever zouden hebben aangekaart dat zij aannamen/verwachtten dat een gunstig resultaat voor de werknemers partij in die 7:613-procedures ook voor hen zou doorwerken. Bij de rechtsverwerkingskwestie heeft het hof kennelijk minder belang gehecht aan het gegeven dat Werknemers in de veronderstelling verkeerden dat sprake was van een zwaarwichtig belang zijdens Werkgever voor de wijziging tot aan de hofuitspraken van het hof in de 7:613-procedures.
rechtsverwerkingtoekomt verschilt van de vraag of Werkgever heeft mogen aannemen dat Werknemers
welbewust met een verslechtering van hun arbeidsvoorwaardenin de vorm van een gewijzigde premielastverdeling ten nadele van hen
hebben ingestemd. Met dat laatste is een andere, (nóg) hogere lat gemoeid. De welbewuste instemmingstoets is ‘zwaarder’: is aan de werknemer duidelijkheid over de inhoud van de wijziging houdende een verslechtering van zijn of haar arbeidsvoorwaarden verschaft en mocht op grond van verklaringen of gedragingen van de werknemer worden aangenomen dat deze
welbewustmet die wijziging
heeft ingestemd? Om die laatste lat van een nadere overeenkomst die nadeliger is voor Werknemers te halen is (terecht) veel nodig [45] , allicht meer dan voor rechtsverwerking in een geval als dit.
allein het geding aangevoerde en aan het hof bekend geworden omstandigheden van het geval. Het hof heeft verzuimd in zijn overwegingen te betrekken dat Werknemers (onbestreden) hebben gesteld dat:
verschillenderedenen per werknemer om geen actie te ondernemen, welke redenen niet over één kam (namelijk die van het stilzitten) geschoren mogen worden [48] .
subonderdeel 4.ageeft het rechtsverwerkingsoordeel ook op andere wijze blijk van een onjuiste rechtsopvatting over art. 6:248 lid 2 BW Pro, althans van het begrip 'rechtsverwerking', althans heeft het hof volgens de klacht een onvoldoende inzichtelijke en zelfs apert onbegrijpelijke redenering gehanteerd door het beroep van Werknemers op het recht op gelijke behandeling – althans gelijke beloning op grond van art. 7:646 BW Pro – als tegenwicht voor het rechtsverwerkingsverweer van Werkgever te miskennen en te negeren, terwijl dat als grief VI in het principaal hoger beroep aan de orde was gesteld door Werknemers [49] . Als toelichting in de PI geven Werknemers aan dat als het hof dit verweer niet relevant vond, het heeft miskend dat bij art. 6:248 lid 2 BW Pro alle omstandigheden van het geval relevant zijn. Daartoe behoort dit ook [50] . Volgens Werknemers bestond er geen rechtens relevant verschil tussen hun positie en die van de werknemers die de 7:613-procedures tegen Werkgever hadden gevoerd en daar hebben zij nadrukkelijk beroep op gedaan. Verwacht had mogen worden dat het hof grief VI zou hebben verworpen als het hof deze grief niet doeltreffend achtte, maar dat is niet gebeurd. Het hof had het verweer van schending van goed werkgeverschap en gelijke behandeling van de werknemers relevant moeten achten in het kader van het beroep op rechtsverwerking, omdat in het beroep op een gelijke behandeling een argument besloten ligt dat ziet op de
motievenvan Werknemers om niet actief te zijn in de periode 2014-2018 en pas na het hof-arrest in de 7:613-procedures uit 2018 in actie te komen. Werknemers mochten immers verwachten gelijk behandeld te worden qua arbeidsvoorwaarden. Daar hadden Werkgever en hof bij de rechtsverwerkingskwestie niet aan voorbij mogen gaan. Dat het hof in rov. 3.7.7 heeft overwogen dat de werknemers die wel zijn gaan procederen in een 'andere situatie' verkeerden, ziet niet op de
rechtspositievan die werknemers na de uitspraak van het hof in de 7:613-procedures en is dus geen afdoende reactie op hetgeen Werknemers hebben aangevoerd, omdat zij mochten uitgaan van gelijke behandeling na het wijzen van de bedoelde uitspraak van het hof, waarvan echter geen sprake bleek te zijn in 2018.
automatischook voor hen zou gelden. Hiermee heeft het hof grief VI naar mij voorkomt voldoende kenbaar verworpen.
rechtspositievan die werknemers na de uitspraak van het hof in de 7:613-procedures en daarom geen afdoende reactie is op wat Werknemers hebben aangevoerd met hun beroep op gelijke behandeling, zie ik ook niet opgaan. Gelet op de door het hof benoemde omstandigheden (zie hiervoor in 3.12 en 3.13) op grond waarvan Werknemers hun recht op nakoming van de oude premieverdeling hebben verwerkt, is de rechtspositie van die werknemers wel degelijk anders dan die van hen. De werknemers partij bij de 7:613-procedures hebben een recht op de oude premielastverdeling behouden maar Werknemers hebben, aldus het hof, hun rechten hierop verwerkt door te lang (zwijgend) stil te zitten terwijl van hen, gezien de bijzondere omstandigheden van dit geval, had mogen worden verwacht dat zij eerder aan Werkgever kenbaar zouden hebben gemaakt dat zij Werkgever aan de oude premieverdeling zouden houden, dan wel dat zij de uitkomst van de 7:613-procedure van de andere werknemers afwachtten en ervan uitgingen dat een voor hen gunstige uitkomst ook voor hen zou gelden. Het subonderdeel maakt ook niet duidelijk hoe dit oordeel van het hof (‘de werknemers van de 7:613-procedures verkeerden in een andere positie’) dan wel moet worden gelezen als het niet kan worden gezien als een beslissing over de verschillende (rechts)posities waarin Werknemers en de werknemers uit de 7:613-procedures zich bevinden.
de informatievoorziening en communicatie over de invoering van de pensioenregeling”. Het hof heeft aandacht geschonken aan de wijze waarop Werknemers door Werkgever zijn geïnformeerd over de wijziging van de premieverdeling (rov. 3.7.5). Hetzelfde geldt voor onderwerp (ii) “
de sfeer op de werkvloer na de invoering”. Ook daarop heeft het hof acht geslagen (zie rov. 3.7.3, 3.7.5 en 3.7.6). Voor beide onderwerpen geldt dat het hof deze kennelijk van onvoldoende belang heeft geacht voor zijn oordeel dat van Werknemers hier had mogen worden verwacht dat zij eerder waren opgekomen tegen de pensioenpremie-inhoudingen op hun brutoloon en daar niet jarenlang mee zou wachten.
ontbrekende kennis over de procedure van de andere vijf werknemers” moet gelden dat Werknemers hierover verschillende standpunten hebben ingenomen. Bij dagvaarding hebben zij, als verklaring voor het feit dat zij pas in 2018 aanspraak heeft gemaakt op de oude premieverdeling, gesteld dat de meeste werknemers de afweging hebben gemaakt om de uitspraak in hoger beroep af te wachten van de 7:613-procedures (dgv. 10). In hoger beroep hebben zij aangegeven dat er werknemers waren die hebben gewacht tot de hofuitspraak in die procedures (mvg 14) maar ook, middels een verklaring van een collega, dat sommige werknemers niet op de hoogte waren van die procedures (mvg 40). Werkgever heeft in appel betwist dat Werknemers niet daarvan op de hoogte waren (mva p. 21-22). De advocaat van Werknemers en van de overige werknemers van wie nu samenhangende zaken in cassatie aanhangig zijn, heeft in zijn plta HB 9, 11 en 19 gesteld dat “
de werknemers hebben afgewacht wat de uitkomst is van de procedure(s) van hun collega's”, hetgeen vanzelfsprekend wijst op het kennis hebben van die procedures. Het hof heeft begrijpelijkerwijs dan ook niet meer relevant hoeven achten wat de overige werknemers konden verklaren over het wel of geen kennis hebben van die 7:613-procedures, nu het hof kon aannemen dat Werknemers daar in ieder geval wel van op de hoogte waren. Ten overvloede: ook in cassatie hebben Werknemers gesteld dat zij daarvan op de hoogte waren, zo volgt uit onderdelen 3 en 4.
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het voorwaardelijk incidenteel beroep
onderdeel 1tegen rov. 3.6.6-3.6.8 klaagt over een onjuiste maatstaf voor de beoordeling of een werknemer heeft ingestemd met een (voor hem of haar nadelige) wijziging van de arbeidsovereenkomst. De (subsidiaire) motiveringsklacht van
onderdeel 2klaagt over innerlijke tegenstrijdigheid van die rechtsoverwegingen met rov. 3.7.3 en 3.7.6.
welbewuste instemming" als bedoeld in het
CZ-arrest [53] impliceert dat het Werknemers in ieder geval duidelijk moet zijn geweest dat zij de mogelijkheid hadden om al dan niet met de wijziging in te stemmen. Volgens het hof is aan dat vereiste niet voldaan omdat niet is gebleken dat Werkgever aan Werknemers heeft gevraagd om met de wijziging in te stemmen en evenmin dat voor hen duidelijk was dat zij moest instemmen en dat ook konden weigeren. Het hof is er, anders gezegd, van uitgegaan dat van welbewuste instemming slechts sprake kan zijn wanneer een werknemer niet alleen duidelijkheid wordt geboden over de inhoud van de wijziging, maar ook over het feit dat hij of zij die wijziging kan aanvaarden of verwerpen. Hiermee heeft het hof, aldus
onderdeel 1, blijk gegeven van een onjuiste, want te strenge, maatstaf voor de beoordeling of een werknemer heeft ingestemd met een (voor hem nadelige) wijziging van de arbeidsovereenkomst, nu – blijkens het
CZ-arrest – voor het kunnen aannemen van die instemming volstaat dat door de werkgever aan de werknemer duidelijkheid over de inhoud van die wijziging is verschaft en op grond van verklaringen of gedragingen van de werknemer mag worden aangenomen dat deze welbewust met die wijziging heeft ingestemd. Voor het kunnen aannemen van de welbewuste instemming is dus niet, althans – anders dan het hof heeft gemeend – niet per definitie, vereist dat de werknemer, naast de hem verschafte informatie over de inhoud van het wijzigingsvoorstel, ook (uitdrukkelijk) door de werkgever is geïnformeerd dat hij dat voorstel kan aanvaarden of afwijzen. Tegen die achtergrond getuigen ook rov. 3.6.7 en 3.6.8 van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof – blijkens de laatste volzin van laatstgenoemde rechtsoverweging – ook in die rechtsoverwegingen heeft onderzocht of Werknemers door Werkgever voldoende "
duidelijk (gemaakt)” is “
dat zij als individuele werknemer de mogelijkheid hadden om al dan niet met de wijziging in te stemmen en de instemming met de wijziging dus ook konden weigeren”.
[…] IIleidend, waarin is uitgemaakt dat, gelet op de aard van de rechtsverhouding tussen werkgever en werknemer, de werkgever er slechts op mocht vertrouwen dat de werknemer met een voorstel tot salarisverlaging had ingestemd indien uit de verklaringen of gedragingen van die werknemer
ondubbelzinnig de aanvaarding van het voorstel blijkt [54] . Daar was in die zaak niet aan voldaan. De werkgever had het daarin ook wel bont gemaakt door tijdens een vergadering met zijn voltallige personeel onverhoeds met de aankondiging van een salarisverlaging te komen en daar ook direct hun reactie op wilde hebben. Dit voorstel was niet eerder met het personeel besproken en stond ook niet op de agenda, zodat het personeel zich ‘overvallen’ voelde.
[…] IIwerd aangenomen dat de werkgever voor iedere (voor de werknemer nadelige) wijziging van de arbeidsvoorwaarden de ondubbelzinnige instemming van de werknemer nodig had [55] . In het
CZ-arrest is de maatstaf van
[…] IIgenuanceerd. In die zaak ging het over de vraag of de buitendienstmedewerkers van CZ door te tekenen voor de waardeoverdracht van hun pensioen bij Reaal naar SBZ tevens hadden ingestemd met de beëindiging van hun pensioen bij Reaal. Het Bossche hof oordeelde dat de instemming met de waardeoverdracht ook betekende dat de buitendienstmedewerkers akkoord waren gegaan met de beëindiging van hun pensioenopbouw bij Reaal, maar verzuimde vast te stellen dat deze instemming ondubbelzinnig was. Dit oordeel bleef in cassatie in stand. De Hoge Raad oordeelde dat voor een wijziging van de arbeidsvoorwaarden een nadere overeenkomst tussen de werkgever en werknemer vereist is. De vraag of een dergelijke overeenkomst tot stand is gekomen, moet in beginsel worden beantwoord aan de hand van de algemene regels voor de totstandkoming van een (nadere) overeenkomst, zij het dat, gelet op de aard van de rechtsverhouding tussen werkgever en werknemer, de werkgever slechts erop mag vertrouwen dat een individuele werknemer heeft ingestemd met een wijziging van zijn arbeidsvoorwaarden die voor hem een verslechtering daarvan inhoudt, indien aan de werknemer duidelijkheid over de inhoud van die wijziging is verschaft en op grond van verklaringen of gedragingen van de werknemer mag worden aangenomen dat deze welbewust met die wijziging heeft ingestemd. Bij de vraag of de werknemer met de wijziging heeft ingestemd moeten alle omstandigheden van het geval in de beoordeling worden betrokken, zij het dat de rechter, anders dan was geoordeeld in
[…] II, niet steeds met zoveel woorden hoeft vast te stellen dat de instemming ondubbelzinnig is. Dat het hof in het
CZ-arrest kon aannemen dat de werknemers hadden ingestemd met de wijziging zonder de vaststelling dat dit ‘ondubbelzinnig’ was gebeurd, lag aan de bijzondere omstandigheden van die zaak. Daarin had CZ haar werknemers helder en duidelijk geïnformeerd omtrent haar voorstel tot beëindiging van de pensioenregeling bij Reaal en waren de werknemers ieder voor zich schriftelijk akkoord gegaan met de waardeoverdracht [56] .
CZis geoordeeld dat niet altijd een ‘ondubbelzinnige instemming’ is vereist maar het moet gaan om een ‘welbewuste instemming’, betreft het nog altijd een zeer strenge toets waar niet snel aan is voldaan [57] . Zeker als de werkgever aan de werknemer
nietvoldoende duidelijkheid over de voorgenomen wijziging heeft verschaft en/of stelt dat de werknemer
stilzwijgend heeft toegestemd, kan nog altijd een ondubbelzinnige instemming van de werknemer worden vereist [58] .
CZ-arrest, zoals uiteengezet. Maar omdat aan de hand van alle omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of de werknemer welbewust heeft ingestemd met de wijziging en die omstandigheden kunnen meebrengen dat de rechter een zwaardere maatstaf hanteert, meen ik dat het wel een relevant gezichtspunt kan zijn of de werkgever de wijziging op zo’n manier heeft gepresenteerd dat het een voorstel is dat kan worden geaccepteerd of dat kan worden geweigerd door de werknemer. Gelet op de omstandigheden in onze zaak is dat geen irrelevant gezichtspunt te achten. Werkgever heeft immers de wijziging in de premielastverdeling eenzijdig opgelegd en gepresenteerd als een maatregel die op grond van een eenzijdig wijzigingsbeding kon worden opgelegd omdat hier een zwaarwichtige reden voor bestond (zo rov. 3.6.7). Dit is niet vooraf gegaan door een periode van uitgebreid overleg met de werknemers [59] en de werknemers hebben ook geen uitvoerige onderbouwing gekregen van de zwaarwichtige reden. De werknemers zijn alleen per brief van 20 december 2013, tien dagen voor de ingangsdatum van de wijziging waarin ook nog de eindejaarsfeestdagen vallen, geïnformeerd en van hen werd op geen enkele wijze gevraagd om hiermee in te stemmen. Zij hebben dan ook niet schriftelijk ingestemd. Ik meen dat je als werkgever van heel goede huize moet komen om met kans op succes later te betogen dat de aldus verwittigde werknemers welbewust hebben ingestemd met een wijziging die is gepresenteerd als een eenzijdig afgekondigde maatregel. Dat kleurt de onderhavige zaak en dan is te begrijpen en naar ik meen juridisch niet onjuist dat het hof in deze omstandigheden een aanscherping heeft willen aanbrengen met het gezichtspunt dat Werkgever haar werknemers, waaronder Werknemers, niet duidelijk heeft gemaakt dat de mogelijkheid bestond om al dan niet met de aangekondigde wijziging van de premielastverdeling in te stemmen of daartegen bezwaar te maken. Dat past op zich binnen de norm – al zal deze eis niet voor alle gevallen altijd aanspreken.
“[n]iet gebleken […] dat [verweerster] aan de werknemers heeft gevraagd om hiermee in te stemmen, of dat het voor hen duidelijk was dat zij met de wijziging moesten instemmen en dat ook kon weigeren.” Laatstgenoemde vaststelling, alsmede de beslissing van het hof in de laatste volzin van rov. 3.6.8 dat het Werknemers tot 20 februari 2018 “
onvoldoende duidelijk (gemaakt)” was “
dat zij als individuele werknemer de mogelijkheid had om al dan niet met de wijziging in te stemmen en de instemming met de wijziging dus ook kon weigeren”, zijn volgens
onderdeel 2onbegrijpelijk omdat zij innerlijk tegenstrijdig en dus onverenigbaar zijn met de oordelen van het hof (i) in rov. 3.7.3 waarin is aangenomen dat ook namens Werknemers al op 1 januari 2014 (vlak na de door het hof in rov. 3.6.6 genoemde brief van 20 december 2013 van Werkgever) meteen een brief aan het bestuur van Werkgever is gestuurd waarin staat dat zij en hun collega's “
niet akkoord gaan met deze eenzijdige wijziging” en (ii) in rov. 3.7.6, laatste volzin, waar het hof heeft geoordeeld “
dat de werknemers in januari 2014 bij [verweerster] hebben geprotesteerd tegen de invoering van een premielastverdeling”. De oordelen (i) en (ii) bevestigen immers dat Werknemers, anders dan het hof in rov. 3.6.6 en 3.6.8 heeft geoordeeld, wel degelijk wist dat zij de wijziging konden weigeren te aanvaarden. De met (i) en (ii) aangeduide beslissingen laten zich alleen zo begrijpen (dat het hof heeft vastgesteld, althans ervan is uitgegaan) dat Werknemers daadwerkelijk aan Werkgever hebben laten weten
niet in stemmenmet de wijziging die Werkgever wilde doorvoeren, zodat zij wel degelijk wisten dat zij de mogelijkheid hadden om niet akkoord te gaan.
welbewuste instemmingen dus van een nieuwe overeenkomst tussen Werkgever en Werknemers over ten detrimente van Werknemers aangepaste arbeidsvoorwaarden en anderzijds bij de kwestie of sprake is van
rechtsverwerkingaan de zijde van Werknemers om aanspraak te maken op de oude, ongewijzigde arbeidsvoorwaarden. In rov. 3.6.6 en 3.6.8 is geoordeeld dat Werkgever niet heeft mogen aannemen dat Werknemers
welbewustmet de wijziging van de premielastverdeling
hebben ingestemd, waartoe onder meer redengevend is geoordeeld dat Werkgever Werknemers niet duidelijk heeft geïnformeerd dat zij met de wijziging moesten instemmen of deze ook konden weigeren. Voor welbewuste instemming volstond in dat kader voor het hof niet dat Werknemers, samen met een groep collega’s, in een (niet ondertekende) brief uit januari 2014 aan Werkgever bezwaar hebben gemaakt tegen de voorgestelde wijziging en waar vervolgens lange tijd geen vervolg op is gekomen van de kant van Werknemers. Datzelfde gegeven van aanvankelijk protest dat lange tijd zonder vervolg bleef, weegt het hof bij de rechtsverwerkingstoets in rov. 3.7.3 en 3.7.6 anders: daar wordt bij rechtsverwerking zwaarder aan getild. Dat het hof deze omstandigheden bij deze te onderscheiden kwesties verschillend weegt, verbaast helemaal niet, zoals bij de bespreking van principaal onderdeel 2 al is uiteengezet en maakt ook niet dat hier sprake zou zijn van een onbegrijpelijke (innerlijk) tegenstrijdige beslissing. Daar ketst de (subsidiaire) motiveringsklacht op af.