Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
20 februari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die valselijk een arbeidsovereenkomst en beëindigingsovereenkomst met [A] N.V. zou hebben opgemaakt om een hypotheek te verkrijgen bij de ING Bank. De rechtbank en het hof oordeelden dat sprake was van een gefingeerd dienstverband en bewezen oplichting en witwassen.
De verdediging betwistte het gefingeerde dienstverband en stelde dat de ING Bank vooraf was geïnformeerd over een nieuw dienstverband. Het hof verwierp dit verweer en bevestigde de bewezenverklaringen.
De Hoge Raad oordeelt echter dat de bewijsmotivering van het hof ontoereikend is. De motieven zijn onvoldoende met redenen omkleed en de bewijsvoering niet naar de eis der wet onderbouwd. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling wegens ontoereikende bewijsmotivering.