Belanghebbende, [X] Holding B.V., had uitstel gekregen voor het doen van de vennootschapsbelastingaangifte over 2009 en deed deze op 28 september 2010 met een negatief belastbare winst van € 625.660. De inspecteur legde een voorlopige aanslag nihil op en later een definitieve aanslag nihil met een vastgestelde belastbare winst van negatief € 152.948, waarbij een verlies van € 430.967 niet werd toegelaten.
Het geschil betrof de vraag of de aanslag en het verlies binnen de wettelijke termijnen waren vastgesteld. Het Hof oordeelde dat de aanslag buiten de termijn was vastgesteld en vernietigde deze, maar bevestigde dat de verliesvaststellingsbeschikking niet onder de termijn van artikel 11, lid 3, AWR valt en dus geldig blijft.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en wees erop dat de termijn van artikel 11, lid 3, AWR alleen ziet op het vaststellen van een belastingschuld en niet op verliesvaststellingsbeschikkingen. De vernietiging van de aanslag beïnvloedt de geldigheid van de verliesvaststellingsbeschikking niet. Dit draagt bij aan rechtszekerheid en beschermt het materiële belang van de belastingplichtige.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.