Conclusie
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod” en 2. “
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod,
terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis met aftrek als bedoeld in artikel 27 en Pro 27a Sr. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals vermeld in het bestreden arrest.
eerste middelklaagt dat de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, in het bijzonder het daderschap van de verdachte, niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.
1. hij op 02 januari 2015 te Rijswijk (in een pand gelegen aan de [a-straat 1] ) opzettelijk aanwezig heeft gehad 220 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,
“Oordeel hof
Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien stelt het hof vast:
tweede middelbehelst de klacht dat het hof is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt “
dat de verdachte vanaf oktober 2014 dan wel in december 2014 niet in de woning aan de [a-straat 1] is geweest, althans daar en toen hennep voorhanden had dan wel hennep teelde”, zonder daarvoor een toereikende motivering te geven.
derde middelklaagt over de motivering van de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek om getuige [getuige 2] te horen.
Voorwaardelijke verzoek tot het horen van getuige [getuige 2]
het horen van de getuige dan ook niet noodzakelijk [is]” onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is. Uit de nadere overwegingen van het hof kan worden afgeleid dat het hof zich voldoende ingelicht acht omtrent de juistheid van de waarnemingen van deze getuige. Dat oordeel is gelet hetgeen het hof daartoe heeft overwogen niet onbegrijpelijk. Mede gelet op hetgeen de raadsman van de verdachte aan het verzoek tot het horen van [getuige 2] ten grondslag heeft gelegd, acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof het horen van deze getuige niet noodzakelijk heeft geoordeeld.
vierde middelklaagt over de (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. In het bijzonder klaagt het middel over ’s hofs oordeel dat de toegewezen schade het rechtstreekse gevolg is van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten.
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde]
rechtstreeksschade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij kan voegen in het strafproces
.Deze bepaling beoogt primair de kring van voegingsgerechtigden te beperken tot één of meer slachtoffers van het strafbare feit. [7]
rechtstreeksschade is toegebracht door – voor zover hier relevant – het bewezenverklaarde feit. [8] Het begrip ‘rechtstreeks toegebracht’ wijkt niet af van het causaliteitsbegrip in het civiele recht, waarin voor de vergoeding van schade door onrechtmatig daad onder meer de eis geldt van een oorzakelijk verband (causaliteit) tussen die onrechtmatige daad en de schade. Aan het oorzakelijk verband tussen het bewezenverklaarde delict en de schade worden in het strafproces dus geen hogere eisen gesteld dan in het civiele proces aan het oorzakelijk verband tussen de onrechtmatige daad en de schade. [9]
rechtstreeksindien er voldoende verband of samenhang bestaat tussen enerzijds het bewezenverklaarde feit en anderzijds die schade. Voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen en de door de benadeelde partij geleden schade, zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. [10] Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de voorwaarde van ‘voldoende verband’ niet al te strikt wordt uitgelegd. [11] Aan het relativiteitsvereiste, inhoudende dat alleen vergoeding van schade is verplicht indien de geschonden norm strekt tot bescherming van het belang waarin de benadeelde is getroffen, komt slechts in mindere mate een rol van betekenis toe. [12]