Conclusie
Door het hof gebezigde bewijsmiddelen
als verklaring van [verbalisant 2] :
Merk: Koga Miyata
Type: Tesla
kleur: Zwart
Framenummer: [0001] .
als relatering van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :
Overweging met betrekking tot het bewijs
de voorzitterde uitspraak van het hof mede, luidende dat verdachte wordt veroordeeld ter zake van opzetheling tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week. Het hof overweegt hiertoe dat op het moment dat verdachte werd aangetroffen op de fiets, het slot zich in gesloten toestand bevond terwijl verdachte, aldus het proces-verbaal, wel op deze fiets kon fietsen. Dat het slot zich in de gesloten toestand bevond, was blijkens de ter zitting besproken en getoonde foto’s, ook te zien voor een ieder. Op grond van de aangifte en het proces-verbaal van aanhouding inhoudende bevindingen en hetgeen zichtbaar is op genoemde foto’s komt het hof tot bewijs van de subsidiair ten laste gelegde opzetheling.”
Nadere bewijsoverweging van het hof:Het voorgaande vormt redengevend bewijs voor de tenlastegelegde opzetheling.
Verdachte heeft tegenover de politie geen redelijke, de redengevendheid ontzenuwende verklaring gegeven voor de aanwezigheid van voor hem zeer belastend bewijsmateriaal, namelijk het fietsen op de gestolen fiets, onder de belastende omstandigheden zoals bovenomschreven.
Het hof stelt in dit verband vast dat verdachte bij de politie geen verklaring wenste af te leggen, niet bij de politierechter is verschenen terwijl verdachte nadat de politierechter hem veroordeelde, in hoger beroep evenmin is verschenen en van de mogelijkheid in rechte een verklaring af te leggen geen gebruik heeft gemaakt.”
derde middel. Dit middel klaagt dat het hof de in randnummer 8. weergegeven bewijsoverweging heeft opgenomen in de aanvulling op het arrest (als bedoeld in art. 365a Sv, in verbinding met art. 415 Sv Pro).
NJ1999/387 overwoog de Hoge Raad dat de in de aanvulling op het toen bestreden arrest opgenomen nadere bewijsoverweging “in de kern een nadere aanwijzing van de feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt”, bevatte. Daarom had zij te gelden als een opgave van redengevende feiten en omstandigheden in de zin van art. 359, derde lid, Sv, zodat is toegestaan dat een dergelijke overweging voor het eerst in de in art. 365a, tweede lid, Sv bedoelde aanvulling op het verkorte arrest wordt opgenomen. Deze overweging verwoordde de Hoge Raad in HR 24 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4162,
NJ2002/629 aldus dat “een nadere bewijsoverweging voor het eerst in de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv mag worden opgenomen.” Redelijke wetsuitleg brengt naar het oordeel van de Hoge Raad dan ook mee dat een in het verkorte arrest opgenomen bewijsoverweging in de aanvulling op het verkorte arrest tevens kan worden verbeterd of aangevuld.
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken”. Voorts zou ook eventuele verbazing er niet aan afdoen dat de bewijsvoering in cassatie in volle omvang aan de Hoge Raad kan worden voorgelegd, reden waarom – al was de klacht terecht voorgesteld geweest – het in rechte te respecteren belang bij vernietiging van de uitspraak op die grond mij evenmin is gebleken.
eerste middelklaagt dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat de fiets die hij voorhanden had een door misdrijf verkregen goed betrof. Het
tweede middelklaagt dat ’s hofs motivering van de wetenschap van de verdachte ontoereikend dan wel onbegrijpelijk is, omdat de door het hof genoemde omstandigheid dat voor een ieder zichtbaar was dat het slot zich in gesloten toestand bevond, daartoe niet redengevend is. Deze middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
wetenschapte stellen eisen moeten niet te zwaar worden aangezet, zo leid ik af uit onder andere HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:711. In die zaak bleek uit ‘s hofs bewijsvoering dat de verdachte om 23:55 uur in de avond achterop een (gestolen) scooter had gezeten, waarvan de kappen ter hoogte van het stuur niet meer aanwezig waren en waarvan diverse draden loshingen, hetgeen de verdachte verklaarde te hebben waargenomen. Tevens bleek bij nader onderzoek dat het contactslot was verwijderd/verbroken, maar daarvan stond niet vast dat de verdachte dit ook wist. Mijn ambtgenoot Harteveld concludeerde beknopt dat uit deze omstandigheden nog niet volgt dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat de scooter gestolen was. De vaststellingen van het hof lieten de mogelijkheid immers open dat de verdachte – bijvoorbeeld – had gedacht dat de medeverdachte de scooter aan het repareren was, of iets dergelijks. De Hoge Raad kwam (met vijf raadsheren) echter tot de slotsom dat het op de genoemde vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de scooter bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat deze gestolen was, niet onbegrijpelijk is.
ten tijde vanhet voorhanden krijgen van het goed bij de verdachte aanwezig was, nader voor het voetlicht gebracht. [5] In HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97 stelt de Hoge Raad voorop dat uit de wetsgeschiedenis van art. 416, eerste lid, Sr volgt dat de wetgever met het opnemen van het bestanddeel “ten tijde van” onder meer het verwerven of voorhanden krijgen van het goed heeft willen bewerkstelligen dat in het geval dat iemand eerst na het verwerven of voorhanden krijgen wetenschap heeft verkregen van de herkomst uit misdrijf, hij niet strafbaar is ter zake van opzetheling. [6] Bij de bewijsvoering ter zake van de wetenschap van de herkomst uit misdrijf “ten tijde van” onder meer het verwerven of voorhanden krijgen van een goed mag, aldus nog altijd de Hoge Raad in voormeld arrest uit 2019, de rechter betrekken dat aanwijzingen ontbreken dat de wetenschap van de herkomst uit misdrijf eerst is ontstaan na het verwerven of voorhanden krijgen van het goed. Daarbij kan de procesopstelling van de verdachte een rol spelen. De Hoge Raad komt in de vier genoemde zaken telkens tot een verwerping van de tegen het bewijs van opzetheling aangevoerde klacht, waarbij aan het ontbreken van een aannemelijke verklaring van de verdachte betekenis wordt toegekend voor het bewijs dat de verdachte ook ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed moet hebben geweten dat het was verkregen uit misdrijf.