Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
5 november 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag of een hond die betrokken was bij een bijtincident met twee slachtoffers kan worden aangemerkt als een gevaarlijk dier in de zin van artikel 425 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag, waarin hij werd veroordeeld.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de verdachte verworpen. De Advocaat-Generaal had reeds geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel van cassatie niet tot cassatie kon leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest bevestigt daarmee de eerdere uitspraak van het gerechtshof dat de hond als gevaarlijk dier kan worden beschouwd in het kader van de strafrechtelijke aansprakelijkheid volgens artikel 425 lid 2 Sr Pro. Het arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt dat hond als gevaarlijk dier wordt aangemerkt volgens art. 425 lid 2 Sr.