Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
5 februari 2019.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een verstekarrest van het Gerechtshof Den Haag. Het middel betrof de niet-naleving van artikel 48 van Pro het Wetboek van Strafvordering, omdat geen afschrift van de appeldagvaarding aan de raadsman van de verdachte was verzonden.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het hof voor een nieuwe behandeling op het bestaande hoger beroep. De Hoge Raad volgde deze conclusie en oordeelde dat het ontbreken van de toezending van de dagvaarding aan de raadsman een ernstig vermoeden van schending van het voorschrift oplevert.
Daarom werd het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het Gerechtshof Den Haag, zodat het hof de zaak opnieuw kan behandelen en afdoen conform de wettelijke voorschriften. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 5 februari 2019.
Uitkomst: Het arrest van het hof is vernietigd en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde behandeling in hoger beroep.