Conclusie
1.Feiten
fu”, hetgeen betekent dat de desbetreffende producten zijn voorzien van een geïntegreerde funderingsvoet. Bij de geoffreerde producten is telkens vermeld dat de materialen zijn voorzien van een KOMO-attest met productcertificaat.
-9,3%”.
& KOMO Attest met product certificaat”. De bestelling bevat diverse clausules van Aswebo waaronder die voor de leveringstermijn. Deze luidt:
Leveringstermijn:volgens het in onderling overleg vastgelegde leveringschema/planning en in overleg met de werfleider, (…). Deze afgesproken planning is bindend en essentieel. JURA BV verbind[t] zich ertoe de leveringen zo uit te voeren dat de vooropgestelde planning zal gehaald worden. (…).” [4]
uiterlijk vanaf week 17(aankomst in Zaventem vanaf dinsdag 21/4/2015 zoals afgesproken na uw laattijdige afmelding van de levering van 16/4 daags voordien pas rond 17 uur met alle verloren kosten hierdoor) door te gaan conform de overeenkomst en principieel met KOMO-attest. De leveringen die gebeuren zonder KOMO-attest dienen een KOMO-attest of een door BAC te aanvaarden gelijkwaardig attest te bekomen, desgevallend via een partijkeuring door KIWA op de werf zoals vermeld in uw mail van 15/4/2015. De levering met KOMO-attest is uw contractuele verplichting en verantwoordelijkheid. Bij ontstentenis hiervan, zijn wij genoodzaakt alle kosten en schade hierdoor aan u in rekening te brengen. (...)” [7]
2.Procesverloop
Eerste aanleg
Weens Koopverdrag, A-G] zijn. Op grond van artikel 1 aanhef Pro en sub a WKV is het WKV op de overeenkomst tussen Jura en Aswebo van toepassing. Een van de uitzonderingen genoemd in de artikelen 2, 3 en 6 WKV doet zich niet voor. Slechts wanneer partijen de toepasselijkheid van het WKV zouden hebben uitgesloten, zou uitsluitend nationaal Nederlands recht van toepassing zijn. Dat hebben zij echter niet gedaan. Dat betekent dat het WKV op de overeenkomst tussen partijen van toepassing is, en dat wanneer een regel van nationaal Nederlands recht strijdig is met het WKV, het WKV voorgaat.
randnummer 1.17 hiervoor, A-G], op de mededeling van Jura van 10 april 2015 leidt het hof af dat Aswebo jegens Jura aanspraak maakt op nakoming van de verplichting tot levering van lijngoten voorzien van een KOMO-attest met product certificaat, zoals bedoeld in artikel 46 lid 1 WKV Pro. Uit de correspondentie tussen partijen volgt dat Aswebo aan Jura een termijn heeft toegestaan als bedoeld in artikel 47 lid 1 WKV Pro om een keuring door KIWA te laten verrichten. Die keuring heeft een positief resultaat gehad; de lijngoten voldoen aan de daaraan te stellen eisen. KIWA heeft op 28 mei 2015 aan [A] het KOMO product certificaat voor de beide typen lijngoten verstrekt. Daarmee is de tekortkoming hersteld. De geleverde en te leveren lijngoten hebben een KOMO-attest met product certificaat. Ten overvloede geldt nog dat Jura op grond van artikel 48 lid 1 WKV Pro zelfstandig tot herstel van de tekortkoming mocht overgaan als dat op eigen kosten, zonder onredelijke vertraging en zonder onredelijk ongerief voor Aswebo zou zijn en Jura Aswebo niet in het ongewisse zou laten over de vergoeding door Aswebo reeds gemaakte kosten. Geen van deze aan zelfstandig herstel in de weg staande omstandigheden is aan de orde.
voormalig directeur van Aswebo, A-G] verklaart in algemene bewoordingen, zonder concreet te worden. Hij verklaart meermalen “wij hebben geconstateerd” of “wij hebben vastgesteld”, zonder te vermelden wie welke constatering heeft gedaan of wie welke verklaring heeft afgelegd. Ook zijn verklaring “Ik merk op dat op 18 mei gezamenlijk is vastgesteld dat er te weinig goten waren en te weinig goten konden worden geleverd” is niet nader geconcretiseerd. De verklaringen van de overige getuigen bevatten in het geheel geen feitelijkheden over concrete afgelegde verklaringen en gedane mededelingen en concrete bevindingen van aanwezige personen gedurende het bezoek op 18 mei 2015. Het gevolg hiervan is dat Aswebo er niet in is geslaagd om te bewijzen dat Jura op 18 mei 2015 aan Aswebo heeft meegedeeld de verbintenis vóór het einde van week 26, dat is 28 juni 2015, ten minste 5 km aan lijngoten te hebben geleverd niet te zullen nakomen. Reeds daarom moet het beroep van Aswebo op gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst tussen partijen worden verworpen. Het hof heeft echter ook niet de overtuiging dat op 18 mei 2015 tijdens de bijeenkomst bij [A] is gebleken dat Jura niet in staat zou zijn vóór het einde van week 26, dat is 28 juni 2015, ten minste 5 km aan lijngoten te hebben geleverd. Geen van de getuigen van de zijde van Aswebo vermeldt concrete op 18 mei besproken aantallen lijngoten of concrete uitlatingen van een aanwezige persoon over het niet meer tijdig kunnen leveren van voldoende lijngoten. De getuige aan de zijde van Jura vermeldt dat op 18 mei 2015 een aan Aswebo overhandigde lijst is besproken en dat wel tijdig voldoende lijngoten konden worden geleverd. De schriftelijke verklaring van [A] is in lijn met deze verklaring. Tot slot verklaart ook geen van de getuigen dat op 18 mei tussen Jura en Aswebo is overeengekomen dat de afnameverplichting van Aswebo is verminderd met die producten die zij uiteindelijk niet heeft afgenomen. Bewijs voor deze stelling van Aswebo ontbreekt dan ook.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
nietwas gebonden aan het oordeel van de rechtbank over de toepasselijkheid van het Weens Koopverdrag.
uitsluitend het Nederlandse recht” bevat) onbegrijpelijk is, omdat mede gelet op het oordeel van de rechtbank [32] zonder nadere motivering niet valt in te zien dat artikel 12 van Pro de algemene voorwaarden van Jura toepassing van het Weens Koopverdrag toelaat.
met uitsluiting vanhet Weens Koopverdrag in de zin van art. 6 Weens Pro Koopverdrag, of als (ii) een keuze voor het recht van die staat
inclusiefhet Weens Koopverdrag. In de literatuur bestaan over deze vraag grofweg twee opvattingen.
nietgebonden was aan het oordeel van de rechtbank over de toepasselijkheid van het Weens Koopverdrag, en (ii) dat de klacht tot uitgangspunt neemt dat het hof de toepasselijkheid van het Weens Koopverdrag heeft gebaseerd op art. 1 lid 1 sub a Weens Pro Koopverdrag.
uitsluitendtoekomstige omstandigheid.
kunnenworden geleverd. Doordat Jura desondanks heeft medegedeeld de goten tijdig te leveren, sloot Aswebo de overeenkomst op basis van de in haar ogen dus onjuiste voorstelling van zaken dat de verkoper tot tijdige levering in staat was. Als gevolg van de onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van Aswebo is het hof ten onrechte niet toegekomen aan een beoordeling of in dit geval aan de vereisten voor een succesvol beroep op dwaling is voldaan.
ten overvloede” dat de wijze waarop Aswebo het nadeel heeft berekend onjuist is:
nietde stelling verworpen dat Maetis als gevolg van die dwaling nadeel had geleden. Bij die stand van zaken mocht het hof de vordering niet afwijzen op de grond dat de door Maetis voorgestelde wijze van berekening van het nadeel ongeschikt was. In de onderhavige zaak heeft het hof kennelijk in het midden gelaten of Aswebo de overeenkomst onder invloed van dwaling heeft gesloten, maar heeft het hof de stelling dat sprake is van nadeel uitdrukkelijk verworpen. Die verwerping door het hof is niet gebaseerd op het oordeel dat Aswebo het nadeel op onjuiste wijze heeft berekend, maar op het oordeel dat er geheel geen sprake is van nadeel. Bij die stand van zaken, die dus afwijkt van de eerder door Uw Raad besliste zaak, kon het hof de vordering van Aswebo op grond van art. 6:230 lid 2 BW Pro afwijzen.
in de gelegenheid heeft gesteldom feiten en gegevens, onderbouwd met schriftelijke stukken, aan het hof aan te reiken, alsmede dat het aan Jura
heeft voorgehoudendat het hof een nadere toelichting verlangt over de betekenis van de e-mail van Indra aan Jura van 26 februari 2015, maar niet dat daarmee ook de consequentie ingeval van het niet-verstrekken van deze gegevens reeds vastlag. Bovendien heeft het hof in rov. 2.11. van het eindarrest overwogen dat hij aan de gebrekkige informatieverstrekking en ontoereikende onderbouwing van de schade door Jura niet de conclusie verbindt dat de vordering tot schadevergoeding moet worden afgewezen, waarbij uit niets volgt dat het hof meent dat het daarmee is teruggekomen op een eerder gegeven eindbeslissing. Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad kan de uitleg die het hof aan zijn eigen eerdere beslissing heeft gegeven in cassatie niet op juistheid, maar alleen op begrijpelijkheid worden getoetst. [57] De rechtsklacht, die ervan uitgaat dat sprake is van bindende eindbeslissingen, stuit hierop af.