Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het middel
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
NJ2008/22 had het hof, voor zover hier van belang, de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, omdat de verdachte op 15 april 2005 op de hoogte was van het vonnis en eerst op 3 mei 2005 hoger beroep was ingesteld. Dat de verdachte op 15 april 2005 op de hoogte was van het vonnis had het hof afgeleid uit een brief van de raadsman van de verdachte van die datum, waarin stond vermeld dat de verdachte een dag eerder was aangehouden en dat het vonnis van de rechtbank – onder vermelding door de raadsman van het parketnummer van de zaak alsmede de opgelegde straf – de raadsman en de verdachte bekend was. De Hoge Raad overwoog dat ’s hofs oordeel dat de verdachte op 15 april 2005 over voldoende gegevens beschikte omtrent hetgeen voor hem van belang was voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep [1] geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting over het bepaalde in art. 408 lid 2 Sv Pro, terwijl het oordeel evenmin onbegrijpelijk was.
NJ2009/429 had het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het eerst op 30 mei 2006 ingestelde hoger beroep tegen het bij verstek gewezen vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 8 april 2002. Volgens het hof beschikte de verdachte op enig moment in het jaar 2002, na kennisneming van een krantenknipsel betreffende zijn veroordeling en de aan hem opgelegde gevangenisstraf en na het daarop volgende contact met zijn raadsman over de consequenties van die veroordeling, over voldoende gegevens omtrent hetgeen voor hem van belang was voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep. Volgens de Hoge Raad gaf dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting over het bepaalde in art. 408 lid 2 Sv Pro en was dat oordeel evenmin onbegrijpelijk.
NJ2018/404. In die zaak oordeelde het hof dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak van de politierechter de verdachte in of rond juli 2014 bekend was en dat de verdachte niet-ontvankelijk is in haar op 6 april 2016 ingestelde hoger beroep. Volgens de Hoge Raad gaf het oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was het niet onbegrijpelijk. In deze zaak had het hof – in reactie op het betoog van de raadsman dat de verdachte, kort gezegd, alleen wist van een openstaande werkstraf van 30 uren en niet van de bij het vonnis van de politierechter opgelegde werkstraf van 240 uren – op basis van een reclasseringsrapport vastgesteld dat de verdachte in of rond juli 2014 telefonisch contact heeft gehad met een reclasseringsmedewerker over de uitvoering van de in de onderhavige strafzaak aan de verdachte opgelegde werkstraf van 240 uren. Daarbij had het hof mede in aanmerking genomen dat het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte inhield dat de werkstraf van 30 uren waarop de verdediging kennelijk het oog had bijna twaalf jaar daarvoor was opgelegd en daarvan ook niet bleek uit de genoemde reclasseringsrapportage.
NJ2013/131 hielden de gedingstukken in dat de verdachte bij vonnis van 19 augustus 2009 bij verstek was veroordeeld, dat de “mededeling uitspraak” van het vonnis op 9 november 2009 aan de verdachte in persoon is uitgereikt en dat op 13 november 2009 door de verdachte hoger beroep tegen het vonnis was ingesteld. Het hof had de verdachte desondanks niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep omdat blijkens de dossierstukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep kon worden vastgesteld dat de verdachte uiterlijk op 1 oktober 2009 op de hoogte was van de uitspraak van de politierechter, zodat het eerst op 13 november 2009 ingestelde hoger beroep tardief was. De Hoge Raad overwoog dat het kennelijke oordeel van het hof dat uit de omstandigheid dat de verdachte denkt de dagvaarding in de maand september 2009 in handen te hebben gekregen en te hebben gelezen, zodat hij toen van de tenlastelegging op de hoogte is geraakt en kort nadien van de rechtbank te horen heeft gekregen dat het vonnis al was uitgesproken en dat het “in zijn nadeel” was, kan worden afgeleid dat de verdachte uiterlijk op 1 oktober 2009 over voldoende informatie beschikte over datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, niet zonder meer begrijpelijk was. Volgens de Hoge Raad had het hof niet voldoende concreet vastgesteld dat de gegevens waarvan de verdachte uiterlijk op 1 oktober 2009 op de hoogte was gegevens betroffen die voor hem van belang waren voor zijn besluitvorming, zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en).
NJ2016/11 hield het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte uiterlijk op 26 september 2012 over voldoende informatie als bedoeld in vorenbedoelde zin beschikte, zodat het eerst op 18 december 2012 ingestelde hoger beroep tardief was, in cassatie geen stand. Volgens de Hoge Raad kon uit de in de brief van de verdachte vermelde gegevens – datum vonnis en parketnummer – niet volgen dat de verdachte toen reeds op de hoogte was van datgene wat voor hem van belang was voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en).
NJ2018/264. Het hof had vastgesteld dat het vonnis waarvan beroep op 9 juli 2015 aan de verdachte in persoon was betekend (door de Hoge Raad gelezen als: mondeling medegedeeld). Daarbij had het hof opgemerkt dat abusievelijk de datum van betekening was vermeld als datum waarop het vonnis is gewezen. Volgens het hof mocht van de verdachte worden verwacht “dat, gelet op het parketnummer dat op de mededeling uitspraak wordt genoemd, zijnde het parketnummer van het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht, en de mededeling daarop dat de griffie van het gerecht nadere inlichtingen kan verschaffen over de inhoud van de uitspraak en over het eventueel in te stellen rechtsmiddel, hij in contact treedt met de griffie van genoemd gerecht”. Nu de verdachte dit op zijn beloop had gelaten en het hoger beroep eerst na het verstrijken van de veertien dagen termijn was ingesteld verklaarde het hof de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Onjuist was volgens de Hoge Raad het kennelijke oordeel door het hof dat de enkele vermelding van het parketnummer op de mededeling uitspraak voldoende is voor de aanwezigheid van een omstandigheid als bedoeld in art. 408 lid 2 Sv Pro, mede omdat “van de verdachte mag worden verwacht dat, gelet op het parketnummer dat op de mededeling uitspraak wordt genoemd, zijnde het parketnummer van het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht, en de mededeling daarop dat de griffie van het gerecht nadere inlichtingen kan verschaffen over de inhoud van de uitspraak en over het eventueel in te stellen rechtsmiddel, hij in contact treedt met de griffie van genoemd gerecht". [2]
NJ2025/251, waarin de verdachte op 13 maart 2013 in eerste aanleg wegens diefstal werd veroordeeld en namens hem op 23 juni 2021 hoger beroep werd ingesteld. Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep wegens overschrijding van de rechtsmiddeltermijn van 14 dagen (art. 408 lid 1 Sv Pro). Het hof overwoog dat het “aannemelijk” is dat op 7 april 2021 aan de verdachte een vonnismededeling in de zin van art. 366 Sv Pro is uitgereikt. Het hof betrok daarbij dat geen sprake was van een voorwaardelijk straf “waarbij het nog zou kunnen gaan om het uitreiken van voorwaarden” en dat, gelet op de vermelding van het juiste parketnummer op de akte in combinatie met de justitiële documentatie – waarop stond dat de zaak op 22 april 2021 onherroepelijk was geworden (precies veertien dagen na uitreiking van de akte) – het niet anders kon zijn dan dat deze akte van uitreiking in persoon “betrekking heeft gehad op de mededeling van het vonnis”. In mijn conclusie voor deze zaak merk ik op dat “aannemelijkheid” in dezen niet toereikend is nu moet vaststaan dat “zich een omstandigheid heeft voorgedaan” waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is. Niet zeker was ook dat de verdachte informatie had ontvangen die mede de aard van de einduitspraak en de opgelegde straf omvatte. Onder verwijzing naar de conclusie vernietigde de Hoge Raad de uitspraak van het hof.
“and handed me a letter inside the Nijmegen police station from the judge in Arnhem in which the letter was saying that if I commit any criminal offense in Holland in the next 2 years I will go to jail for 2 months”en de zin
“The crime in [...] sauna is from 2020 and they decided upon it2022and in2023I got the letter from the judge in Arnhem only saying that if I commit any crime in the next two years so2023-2025I sit in prison fur 58[ [6] ]
days”. Ook heeft het hof in aanmerking genomen dat uit het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende de verdachte van 13 februari 2025 blijkt dat aan de verdachte geen andere voorwaardelijke gevangenisstraffen zijn opgelegd dan de deels voorwaardelijke gevangenisstraf die in de onderhavige zaak is opgelegd. Naar het oordeel van het hof had de verdachte daarom binnen veertien dagen na die datum (ik begrijp “enig moment in 2023”,
PHvK) hoger beroep moeten instellen en is het eerst op 8 juli 2024 ingestelde hoger beroep tardief, zodat de verdachte niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep dient te worden verklaard.