ECLI:NL:HR:2019:2005
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belastingheffing over nabetaald salaris en rentedragend worden
Belanghebbende werd in 2004 ontslagen en voerde een civiele procedure tegen zijn werkgever, die werd veroordeeld tot betaling van bruto loon over bepaalde perioden, vermeerderd met wettelijke rente. In 2014 ontving belanghebbende een nabetaling van € 472.380, waarover loonheffing werd ingehouden. De Inspecteur bracht dit bedrag in de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2014.
Het geschil betrof of de nabetaling reeds vóór 2014 rentedragend of vorderbaar en inbaar was geworden in de zin van artikel 3.146 Wet IB 2001. Het Hof oordeelde dat de nabetaling in 2014 is genoten en dat wettelijke rente niet valt onder 'rentedragend worden'. Ook was het salaris niet eerder vorderbaar en inbaar omdat de werkgever weigerde te betalen en belanghebbende gerechtelijke stappen moest ondernemen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verduidelijkte dat 'rentedragend geworden' betekent dat een vordering liquide is en rente geniet, niet dat er slechts wettelijke rente wegens vertraging is verschuldigd. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de nabetaling is belast in 2014.