Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
15 januari 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin hij werd bewezenverklaard dat hij in de periode van 27 november 2014 tot en met 5 februari 2015 ongeveer 130 hennepplanten teelde in een woning die hij huurde. Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder politieprocessen-verbaal met waarnemingen van henneptoppen op een droogrek, sporen van een hennepkwekerij op zolder, aantreffen van kweekattributen zoals potten, waterbakken, groeimiddelen en ventilatieslangen, en een representatieve test die positief was voor hennep.
De verdachte was als enige ingeschreven op het adres en huurder van de woning. Hij maakte geen gebruik van zijn zwijgrecht om een ontlastende verklaring te geven en was niet aanwezig bij de zittingen. Het hof concludeerde dat het bewijs toereikend en overtuigend was om de hennepteelt te bewijzen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn bewezenverklaring niet onbegrijpelijk heeft gemotiveerd en dat de bewijsmiddelen voldoende zijn om het opzettelijk kweken van circa 130 planten aan verdachte toe te rekenen.
Het cassatiemiddel dat het bewijs onvoldoende zou zijn, faalt. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt het arrest van het hof. De zaak wordt niet inhoudelijk herzien, en de strafoplegging wordt terugverwezen naar het hof. Dit arrest is gewezen op 15 januari 2019 door de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bewezenverklaring van het telen van circa 130 hennepplanten en verwerpt het cassatieberoep.