Conclusie
[…]
hij in de periode van 23 juni 2016 tot en met 7 juli 2016 te Eindhoven in de uitoefening van beroep en/of bedrijf, opzettelijk een grote hoeveelheid (ongeveer 297) hennepplanten, zijnde hennep een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II heeft geteeld;
hij in de periode van 23 juni 2016 tot en met 7 juli 2016 te Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid, elektriciteit, toebehorende aan Endinet B.V., waarbij hij, verdachte, die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”.
Transformator: Aantal: 1
Koolstoffilter: Aantal: 1
Ventilator: Aantal: 1
Airco, opticlimates: Aantal: 1
Temperatuurventilatieregelaar: Aantal: 1
Water- en beluchtingspomp: Aantal: 1
zie bewijsmiddel 1).
zie bewijsmiddel 1). Ik stond voor de woning toen een vrouw mij aansprak. Ik hoorde dat ze zei dat zij van Woonbedrijf was en bezig was met een controleronde toen zij politie voor het pand zag staan. Ik vroeg haar of zij mij kon vertellen wie de bewoners zijn van [a-straat 1] . Zij belde met de coördinator. Deze gaf de informatie dat [betrokkene 2] (
het hof begrijpt telkens: [betrokkene 2]) woonachtig is op [a-straat 1] te Eindhoven en tevens de hoofdhuurder is.
het hof begrijpt: april 2016) een reactie van een man. Hij wilde de [a-straat ] huren. Ik had vooral contact met een vrouw. Ze zei dat ze [betrokkene 3] heette en ze is Nederlands, maar sprak goed Engels. Ze heeft altijd gezegd dat ze haar paspoort niet wilde laten zien. De man kan geen Engels en sprak alleen Nederlands en Marokkaans. Daarom had ik contact met die [betrokkene 3] . Ik kreeg echter wel het paspoort van de man. De man gaf zich op te zijn [verdachte] van [geboortedatum] 1983 (
het hof begrijpt telkens: de verdachte) en gaf als telefoonnummer op [telefoonnummer] . Het telefoongesprek was in het Engels en [betrokkene 3] zei dat ze de woning wilde huren. Begin mei (
het hof begrijpt: mei 2016) heb ik voor het eerst afgesproken met [betrokkene 3] . [verdachte] was er ook altijd bij. Ik kon geen contract maken, want dat mag niet in verband met de huur bij het woonbedrijf. Ik mag niet onderverhuren. Ik heb ze drie keer gezien: eerste keer was voor het kijken naar de woning, tweede keer voor de identiteit en derde keer voor de sleutels. Dit was kort na elkaar. Ik heb de gegevens van [verdachte] gekregen, niet die van [betrokkene 3] . Ik heb 9 mei (
het hof begrijpt: 9 mei 2016) de woning aan de [a-straat 1] verlaten. Ik heb foto's van mijn woning gemaakt 23 april 2016 van hoe het er toen uit zag. Ik ben eind mei 2016 nog terug geweest in de woning [a-straat 1] . Ik ben in de woning geweest. [verdachte] en [betrokkene 3] waren in de woning. Ik zag toen nog steeds niets raars in de woning.
A: Ik denk in juni (
het hof begrijpt juni 2016), want eind mei was er nog niets te zien. Ik ben toen ook in de slaapkamer geweest (h
et hof begrijpt: de slaapkamer waar later een hennepkwekerij is aangetroffen).
het hof begrijpt: [betrokkene 2]) met een fotoselectie met 11 personen. Ik toonde aan de getuige de foto’s van de personen sequentieel op een beeldscherm. De foto’s waren doorlopend genummerd van 1 tot en met 11. Terwijl de getuige naar de selectie keek, hoorde ik dat hij uit eigen beweging zei: “Four. No doubt.” Vervolgens vroeg ik aan de getuige: “bevond de door u bedoelde persoon zich in de selectie?” De getuige antwoordde: “Ja.” Op mijn vraag wat zijn rol bij het feit was geweest antwoordde hij: “Hij heeft in mijn huis gewoond, hij huurde mijn huis”. Na afloop van de confrontatie deelde de confrontatieleider mij mede dat in de getoonde selectie de foto van de verdachte [verdachte] op plaats 4 stond.”
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Ten aanzien van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde onderdeel medeplegen overweegt het hof het navolgende.
Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde onderdeel ‘in de uitoefening van beroep en/of bedrijf’ overweegt het hof het navolgende.
NJ2014/431 (rov. 2.4).
IV. Het derde middel en de bespreking daarvan
Het juridisch kader
NJ2008/358, m.nt. Mevis betreffende de algemene uitgangspunten en regels inzake overschrijding van de redelijke termijn, voor zover hier van belang, het volgende heeft overwogen:
nietin tegenwoordigheid van de verdachte en/of zijn raadsman is behandeld. Dat betekent dat hier
nietkan worden aangenomen dat de verdachte niet langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd, zodat het middel in aanmerking komt voor een nadere bespreking.
beperkteoverschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg of in hoger beroep” én “de berechting in feitelijke aanleg is afgerond
binnenhet totaal van de voor elk van die procesfasen geldende termijnen” (cursiveringen van mij, A-G). Daarvan is in de voorliggende zaak geen sprake, omdat de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep elf maanden betreft en daarvan niet kan worden gezegd dat het om een
beperkteoverschrijding gaat, terwijl bovendien de berechting in feitelijke aanleg – dat wil zeggen: in eerste aanleg én in hoger beroep – niet is afgerond binnen het totaal van de voor elk van die procesfasen geldende termijnen.