Conclusie
Nummer20/01873
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2. “
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”, 3. “
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”, 4. “
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en 6 primair “
medeplegen van valsheid in geschrift” veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden en met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, opgelegd, zulks met aftrek van voorarrest.
De schuur was toen leeg. Op dat feestje leerde ik [betrokkene 9] kennen. Hij was bevriend met mijn dochter en wilde het huis huren. In eerste instantie wilde ik het huis te koop zetten, maar er werd mij geadviseerd daarmee te wachten. Om de kosten te drukken heb ik het huis toen verhuurd aan [betrokkene 9] . U houdt mij voor dat er uit het dossier weinig van die verhuur blijkt. Ik heb bewust geen verhuurcontract opgesteld, omdat ik daar dan aan vast zou zitten. Ik weet niet meer wat [betrokkene 9] aan huur betaalde.
De verdachte was in de ten laste gelegde periode de eigenaar van het perceel en heeft de woning tot 31 juli 2011 bewoond. Daarna is de woning niet meer bewoond geweest. Verder kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat in de hennepkwekerij een colablikje is aangetroffen met daarop celmateriaal waarvan mag worden aangenomen dat het van de verdachte afkomstig is. Tot slot blijkt uit de bewijsmiddelen dat een getuige de verdachte na zijn verhuizing nog dagelijks in/bij de woning heeft gezien.
welvan toepassing zijn geweest. Door de drie zaken wel gelijktijdig maar niet gevoegd te behandelen en op dezelfde dag in alle drie de strafzaken in zijn totaliteit – naast de taakstraf voor de duur van 240 uren – twaalf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, getuigt de strafoplegging (in alle strafzaken) van een onjuiste rechtsopvatting.
In geval van veroordeling tot gevangenisstraf of tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel ten hoogste zes maanden bedraagt, kan de rechter tevens een taakstraf opleggen.”
Stb1995, 32, met ingang van 27 januari 1995 de bevoegdheid om bij veroordeling tot gevangenisstraf of hechtenis een geldboete op te leggen. De Wet taakstraffen van 7 september 2000,
Stb2000, 365, heeft de rechter daarnaast de (beperkte) mogelijkheid gegeven een taakstraf naast een gevangenisstraf of hechtenis, waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel niet meer dan zes maanden bedraagt, op te leggen. De wetgever wilde de rechter hiermee vooral de mogelijkheid geven om reeds ondergane voorlopige hechtenis te verdisconteren in de strafoplegging. Hierdoor kon het voorarrest in mindering worden gebracht op het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf, zonder dat daarna de ruimte verloren ging voor de oplegging van een taakstraf. [8]
Ambtshalve opmerking met betrekking tot de verjaring van feit 4
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod,meermalen gepleegd” [11] – heeft het hof de tenlastelegging opgevat als ‘impliciet cumulatief’ en niet als de tenlastelegging van één (voortdurend) delict. Het hof is er kennelijk van uitgegaan dat de verdachte in de bewezen verklaarde periode telkens, op verschillende tijdstippen, verscheidene hoeveelheden hennep heeft verkocht en aanwezig heeft gehad. Er is dus volgens het hof sprake van verschillende, op zichzelf staande strafbare handelingen van de verdachte die niettemin in één tenlastelegging (i.e. impliciet cumulatief) zijn opgenomen. Deze uitleg van de tenlastelegging door het hof is niet in strijd met haar bewoordingen en ook overigens allerminst onbegrijpelijk. Deze uitleg moet daarom in cassatie worden geëerbiedigd.
NJ2018/475 m.nt. Vellinga, oordeelde de Hoge Raad dat hij – in geval van verjaring – alleen ambtshalve zal ingrijpen ingeval de termijn van verjaring is vervuld tussen het moment van de indiening van de schriftuur en het moment van de uitspraak van het arrest van de Hoge Raad. De gedachte hierachter is, zo begrijp ik, dat in een cassatieschriftuur kan worden geklaagd over een – op het moment van indienen van die schriftuur – reeds vervulde verjaring, doch niet over een verjaring die op het moment van indienen nog zal moeten intreden. Indien in de cassatieschriftuur een klacht over een reeds vervulde verjaring achterwege blijft, neemt de Hoge Raad kennelijk aan dat de verzoeker tot cassatie meent geen belang te hebben bij een klacht over het intreden van verjaring.