Conclusie
1.Cassatieberoep
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
Door het hof gebezigde bewijsmiddelen
3.Het middel
4.Het juridisch kader
tochals pleger kan worden aangemerkt wanneer kan worden geconcludeerd dat het niet anders kan zijn dan dat hij degene is geweest die de kwekerij in zijn pand heeft geëxploiteerd. [3] Dit is voornamelijk het geval wanneer de huurder, ondanks dat alle pijlen in zijn richting wijzen, geen (aannemelijke) verklaring heeft gegeven over de hem belastende feiten en omstandigheden. Anders is dit wanneer de huurder de betrokkenheid van eventuele anderen bij de hennepteelt aannemelijk kan maken. Met name wat dit laatste aspect betreft is het lastig in de rechtspraak van de Hoge Raad een lijn te ontdekken.
welde verklaring van de verdachte dat hij twee Irakezen in de loods aan het werk had gezet als bewijs gebruikt voor het telen van hennep. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd en oordeelde daartoe dat uit de bewezenverklaring niet zonder meer kon worden afgeleid dat de verdachte zélf opzettelijk had geteeld.
NJ2021/348, m.nt. Vellinga kon het oordeel van het hof de toets der kritiek niet doorstaan. Daarin was door het hof, in tegenstelling tot in onderhavige zaak, enkel het aanwezig hebben van hennep bewezen verklaard. [6] In die zaak werd in een door de verdachte gehuurd bedrijfspand op de bovenverdieping een hennepkwekerij aangetroffen. De verdachte had verklaard dat niet hij maar iemand anders de kwekerij had geëxploiteerd. Ter onderbouwing had de verdachte aangevoerd dat hij door iemand was benaderd over de verhuur van de bovenverdieping die daar samen met een compagnon een ICT bedrijf wilde vestigen. Het pand wilde hij nog met zijn compagnon bekijken waarop de verdachte de sleutels van de voordeur aan hem had afgegeven. Op dat moment had de verdachte nog geen huurovereenkomst met deze persoon gesloten. Het telefoonnummer dat de verdachte had van deze persoon was niet meer te bereiken. Het hof achtte het onaannemelijk dat de verdachte aan een volstrekt onbekende de sleutels van zijn pand zou hebben gegeven en die daarna niet meer terug heeft gevraagd, terwijl er (nog) geen huurovereenkomst was gesloten en/of borg was betaald. Zeker nu de verdachte eveneens had verklaard dat hij de bovenverdieping wilde verhuren vanwege financiële nood, maar hij over de maanden waarin die persoon de bovenverdieping zou hebben gehuurd hij geen huur had ontvangen. Het hof stelde voorop dat van de verdachte mag worden verwacht dat hij zijn verhaal over deze persoon verifieerbaar had moeten maken. Naar het oordeel van het hof had de verdachte dat niet gedaan, nu hij onder meer geen nadere contactgegevens had gegeven van die persoon. Op grond hiervan achtte het hof bewezen dat de verdachte alleen, en niet samen met een ander of anderen, hennep aanwezig heeft gehad. De Hoge Raad overwoog dat dit oordeel niet zonder meer uit de uit de gebruikte bewijsvoering kon worden afgeleid. Daarbij nam de Hoge Raad in overweging dat “het enkele oordeel van het hof dat de door hem als bewijsmiddel gebruikte verklaring van de verdachte over een onderhuurder onvoldoende verifieerbaar is, daartoe niet [volstaat]”.
toereikendgemotiveerd en in de zaak van 15 juni 2021 achtte de Hoge Raad het oordeel van het hof
ontoereikendgemotiveerd. Het blijft speculeren hoe het verschil in beoordeling door de Hoge Raad kan worden verklaard. Het zou kunnen, zoals Vellinga in zijn noot bij het arrest van 15 juni 2021 opmerkt, dat in de zaak van 2 september 2014 de hennepplanten werden aangetroffen op de zolder van de woning waar de verdachte stond ingeschreven en het in de zaak van 15 juni 2021 om een door de verdachte gehuurd bedrijfspand ging. Als de hennepkwekerij zich in de woning van de verdachte bevindt ligt het immers meer voor de hand dat de verdachte daarbij, tenzij hij daar een aannemelijke verklaring voor kan geven, als teler bij betrokken is.