ECLI:NL:HR:2019:592

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2019
Publicatiedatum
12 april 2019
Zaaknummer
18/02704
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van verzoekster wegens niet-stellen van zekerheid voor proceskosten in cassatie

In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van verzoekster behandeld, die in een faillissementsprocedure optrad tegen de curator. De Hoge Raad verwijst naar een eerder tussenarrest waarin aan verzoekster werd bevolen zekerheid te stellen voor de proceskosten ten behoeve van de curator, met een uiterste datum voor nakoming. Verzoekster heeft deze zekerheid niet gesteld.

De curator heeft daarop verzocht verzoekster niet-ontvankelijk te verklaren vanwege het niet voldoen aan deze verplichting. Verzoekster heeft dit bevestigd, waardoor de Hoge Raad tot het oordeel komt dat verzoekster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar cassatieberoep.

De Hoge Raad veroordeelt verzoekster tevens in de kosten van het geding in cassatie, waarbij een specificatie van de kosten aan de zijde van de curator is gegeven. Het arrest is gewezen door de raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2019.

Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet stellen van zekerheid voor proceskosten.

Uitspraak

12 april 2019
Eerste Kamer
18/02704
TT/ABG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] , Verenigde Arabische Emiraten,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Weerden,
t e g e n
Pieter Rudolf DEKKER, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [A] ,
kantoorhoudende te Rosmalen,
VERWEERDER in cassatie,
advocaten: mr. A.C. van Schaick en
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] en de curator.

1.Het verdere verloop van het geding in cassatie

Voor het verloop van het geding in cassatie tot dusver verwijst de Hoge Raad naar zijn tussenarrest van 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:36.
De curator en [verzoekster] hebben ieder een akte na tussenarrest genomen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman van 20 februari 2019 strekt tot niet-ontvankelijkheid van [verzoekster] in haar cassatieberoep.
De advocaat van [verzoekster] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Verdere beoordeling in het incident en in de hoofdzaak

2.1
In zijn hiervoor in 1 genoemde tussenarrest heeft de Hoge Raad in het incident onder meer bevolen dat [verzoekster] ten behoeve van de curator zekerheid stelt voor een bedrag van € 3.500,-- ter zake van de proceskosten waartoe [verzoekster] in de procedure in cassatie veroordeeld zou kunnen worden. De Hoge Raad heeft bepaald dat de zekerheid moest zijn gesteld uiterlijk op 8 februari 2019 op straffe van niet-ontvankelijkheid van [verzoekster] in haar cassatieberoep.
2.2
De curator heeft in zijn akte na tussenarrest verzocht [verzoekster] niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat zij geen zekerheid heeft gesteld.
2.3
[verzoekster] heeft in haar akte na tussenarrest bevestigd dat de door de Hoge Raad bevolen zekerheid niet is gesteld.
2.4
Nu vaststaat dat [verzoekster] geen zekerheid heeft gesteld, dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar cassatieberoep.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
in de hoofdzaak:
verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep;
veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
12 april 2019.