Conclusie
derde middelklaagt dat het hof, het vonnis van de rechtbank bevestigend, ten onrechte niet de inhoud van de tenlastelegging in zijn arrest heeft opgenomen.
1. Inhoud van de tenlastelegging.
NJ1928, p. 1553 overwoog Uw Raad dienaangaande dat:
NJ1950/292, m.nt. Röling. In deze zaak was een overtreding tenlastegelegd ter zake waarvan de rechtbank in eerste aanleg had veroordeeld. Daarnaast was een misdrijf tenlastegelegd; daarvan had de rechtbank de verdachte vrijgesproken. Zowel het door de verdachte als het door de officier van justitie tegen het vonnis ingestelde hoger beroep werd door het gerechtshof (wat de officier van justitie betreft alleen ter zake van de overtreding) niet-ontvankelijk verklaard, met bevestiging van de vrijspraak ter zake van het ten laste gelegde misdrijf. Krabbe meldt dat deze beslissing – in die tijd – juist zou zijn als de overtreding en het misdrijf cumulatief waren tenlastegelegd, maar onjuist als de overtreding subsidiair was ten laste gelegd. [11] Om dat te kunnen beoordelen was het noodzakelijk, kennis te nemen van de tenlastelegging. Uw Raad oordeelde het middel, dat klaagde dat het bestreden arrest niet de tenlastelegging bevatte, gegrond: het opnemen van de tenlastelegging was op straffe van nietigheid voorgeschreven, ‘terwijl bovendien de juistheid der gegeven beslissing slechts aan de inhoud der telaste-legging kan worden getoetst’. Krabbe leidt uit – onder meer – deze uitspraak als standpunt van Uw Raad af ‘dat de tenlastelegging niet mag ontbreken, indien dat voor een goed begrip van het arrest of vonnis noodzakelijk is’.
NJ2013/241 m.nt. Bleichrodt geeft Uw Raad aan dat ‘het verzuim inzake de aanhechting van de juiste, zich in het dossier bevindende stukken aan de uitspraak, bijvoorbeeld de tenlastelegging’ zich voor toepassing van art. 80a RO leent. [13] In die overweging ligt op twee punten een soepele benadering ten opzichte van schendingen van dit voorschrift besloten. De tenlastelegging behoeft niet in het vonnis of arrest te worden opgenomen doch mag worden aangehecht. En zelfs het verzuim de tenlastelegging aan te hechten is een verzuim dat geen cassatie rechtvaardigt.
tweede middelbehelst dat ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 13/050401-01 onder 2 bewezenverklaarde feit het recht tot strafvervolging van het openbaar ministerie is komen te vervallen door verjaring, zodat het openbaar ministerie ter zake van dit feit niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.
eerste middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden in de periode tussen het bij verstek gewezen arrest van het hof van 26 april 2004 en de uitreiking van de verstekmededeling aan de verdachte in persoon op 30 mei 2017, hetgeen dient te leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde straf.