Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
5.Beslissing
9 juni 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak ging het om een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in een Caribische context. Het hof had de betalingsverplichting opgelegd in Arubaanse florijnen, waarbij het de wisselkoers hanteerde op de laatste dag van de bewezenverklaarde periode. De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen deze valutering en omrekeningswijze.
De Hoge Raad herhaalde zijn eerdere jurisprudentie dat bij een betalingsverplichting op grond van artikel 36e Sr (zoals in Aruba artikel 1:77 Sr Pro) het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting niet in buitenlandse valuta mogen worden uitgedrukt. Dit in tegenstelling tot de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f Sr, die wel in buitenlands geld kan worden vastgesteld. Het hof had terecht de valutering in Arubaanse florijnen toegepast, omdat het om een lokale betalingsverplichting ging.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het hof niet onjuist handelde door bij de omrekening van het bedrag uit te gaan van de wisselkoers op het moment van voltooiing van het delict. Dit weerspiegelt het voordeel dat de betrokkene daadwerkelijk heeft behaald en is in lijn met eerdere rechtspraak. Een klacht hierover faalde dan ook.
Ten slotte erkende de Hoge Raad dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden, maar verbond hieraan geen rechtsgevolgen in deze zaak, omdat compensatie in een samenhangende strafzaak zal plaatsvinden. Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren op 9 juni 2020.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt dat betalingsverplichting in Arubaanse florijnen en wisselkoers op moment voltooiing delict juist zijn toegepast.