Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt over de door het Hof opgelegde/bepaalde vervangende hechtenis die is verbonden aan de opgelegde betalingsverplichting van Afl. 1.097.684,50. Geklaagd wordt dat deze vervangende hechtenis, bij gebreke van volledige betaling of verhaal, in strijd is met art. 5 EVRM Pro en dat het “arrest, althans de strafoplegging en/of bepaling van de vervangende hechtenis […] dan ook onvoldoende met redenen [is] omkleed”. Voor het geval dat “de Hoge Raad van oordeel is dat de ontnemingsbeslissing niet reeds moet worden vernietigd” meent de steller van het middel, blijkens de toelichting daarop, dat het EHRM om een “advisory opinion” dient te worden verzocht “ten aanzien van de vraag in hoeverre het opleggen van vervangende hechtenis bij een ontnemingsmaatregel (bij gebreke van betaling) te verenigen is met artikel 5 EVRM Pro, zonder voorafgaande rechterlijke toetsing en machtiging” (naar ik begrijp: bij de latere tenuitvoerlegging daarvan).
tenuitvoerleggingvan de vervangende hechtenis. Verder valt op dat nergens is aangegeven in strijd met welk onderdeel van art. 5 EVRM Pro het opleggen/bepalen van de vervangende hechtenis zou zijn.
tweede middelklaagt over de beslissing van het Hof bepaalde reiskosten die de betrokkene heeft gemaakt, niet als kosten op het voordeel in mindering te brengen. Aangevoerd wordt dat de overwegingen van het Hof in de onderhavige ontnemingszaak onbegrijpelijk zijn gelet op de overweging van het Hof in de strafzaak.
Door de verdediging is niet aangevoerd welke kosten in een direct verband met het bewezen verklaarde zouden kunnen staan. Vanwege de in het dossier voorkomende reisbewegingen heeft het Hof zich desalniettemin voor de vraag gesteld of de daarvoor gemaakte reiskosten in zo’n verband tot het bewezen verklaarde staan. Daargelaten echter dat uit de stukken niet volgt hoe hoog de kosten zijn geweest, wordt dit verder bemoeilijkt doordat de reisbewegingen mede in het teken lijken te staan van een bezoek aan familie en vrienden. Het Hof is daarom tot de conclusie gekomen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat die kosten in een directe relatie staan tot het bewezen verklaarde.”
derde middelklaagt over de door het Hof toegepaste wisselkoers bij het omrekenen naar Arubaanse florin van de aan de verdachte opgelegde betalingsverplichting die grofweg bestaat uit de door de verdachte ontvangen commissie in euro’s. Het Hof zou ten onrechte de wisselkoers hebben gehanteerd van de laatste dag van de bewezenverklaarde periode in plaats van – als ik het goed begrijp – de wisselkoers van de dag waarop de betrokkene is betaald. Hierbij wordt een beroep gedaan op twee arresten van de Hoge Raad waarvan het arrest van 13 juli 2010 betrekking heeft op de betalingsverplichting van een ontnemingsvordering en het arrest van 9 april 2019 op de betalingsverplichting van de vordering van een benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel op de voet van art. 36f Sr.
Voor de berekening van de duur van de ingevolge art. 36f, achtste lid, Sr in verbinding met art. 24c Sr te bepalen vervangende hechtenis kan uit praktisch oogpunt worden aangesloten bij — globaal — de tegenwaarde op de dag van de beslissing.”
vierde middelklaagt over schending van het in art. 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om in cassatie binnen een redelijke termijn te worden berecht. Terecht wordt erop gewezen dat de stukken van het geding op 21 februari 2019 bij de griffie van de Hoge Raad zijn ingekomen nadat op 6 september 2017 beroep in cassatie was ingesteld, waardoor de op acht maanden gestelde redelijke inzendtermijn is overschreden.