ECLI:NL:HR:2020:1244
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt premieplicht Nederlandse volksverzekeringen ondanks Rijnvarendenovereenkomst
Belanghebbende had voor de jaren 2011 tot en met 2014 vrijstelling van premie volksverzekeringen verzocht vanwege loon uit Luxemburg, maar de Inspecteur verleende deze niet. De Sociale Verzekeringsbank gaf een A1-verklaring af die Nederland als toepasselijk socialezekerheidsland aangaf.
Het geschil betrof of belanghebbende premieplichtig was voor de Nederlandse volksverzekeringen. Het Hof oordeelde dat op belanghebbende de Rijnvarendenovereenkomst van toepassing is, waardoor het beroep op artikel 16 van Pro de Toepassingsverordening faalt en Nederland premieplichtig is.
Het cassatiemiddel dat stelde dat niet aan procedurevoorschriften was voldaan en dat belanghebbende daardoor in een lastige positie verkeerde, werd verworpen. De Hoge Raad volgde het oordeel van het Hof en verwees naar een gelijktijdig arrest waarin soortgelijke rechtsvragen werden behandeld.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten. Hiermee blijft de premieplicht voor de jaren 2011 tot en met 2014 ongewijzigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de premieplicht voor de jaren 2011-2014 blijft van kracht.