Belanghebbende verhuurde in 2015 gedurende 21 dagen een tuinhuis, een aanhorigheid bij haar eigen woning, en ontving hiervoor een huuropbrengst van €3.564. De Inspecteur legde een navorderingsaanslag op waarbij 70% van deze huuropbrengst werd belast als inkomen uit werk en woning.
Het Hof oordeelde dat het tuinhuis door de tijdelijke verhuur niet als eigen woning kon worden beschouwd en dat de huuropbrengst daarom niet onder de eigenwoningregeling viel, maar onder de inkomsten uit sparen en beleggen. Belanghebbende stelde dat het tuinhuis wel degelijk deel uitmaakt van de eigen woning en dat de huurinkomsten dus belast moeten worden volgens artikel 3.113 Wet IB 2001.
De Hoge Raad stelde vast dat artikel 3.111 lid 1 Wet IB 2001 het tuinhuis als aanhorigheid tot de eigen woning rekent en dat tijdelijke verhuur van een gedeelte van de woning of aanhorigheid niet het karakter van eigen woning ontneemt. Ook artikel 3.113 Wet IB 2001 is van toepassing op de tijdelijke verhuur van het tuinhuis, waardoor de huuropbrengst terecht is belast. De middelen van belanghebbende slagen en de eerdere uitspraken van Hof en Rechtbank worden vernietigd. De uitspraak op bezwaar wordt bevestigd.