ECLI:NL:HR:2020:1741
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt inschrijvingseis voor kamerverhuurvrijstelling bij gedeeltelijke woningverhuur
Belanghebbende verhuurde via Airbnb een gedeelte van haar eigen woning aan tijdelijke bewoners die niet op het adres waren ingeschreven in de basisregistratie personen. De Inspecteur legde een navorderingsaanslag op waarbij 70% van de huurinkomsten als belastbaar inkomen werd aangemerkt. Het Hof oordeelde dat het registratievereiste slechts een bewijsfunctie heeft en wees de aanslag af.
De Hoge Raad stelde vast dat de inschrijvingseis in artikel 3.114 Wet IB 2001 geen louter bewijsfunctie heeft, maar een zelfstandige voorwaarde is voor toepassing van de kamerverhuurvrijstelling. Tevens bevestigde de Hoge Raad dat artikel 3.113 Wet IB 2001 ook van toepassing is op de tijdelijke verhuur van een deel van de eigen woning.
Hierdoor vernietigde de Hoge Raad het oordeel van het Hof en de Rechtbank en verklaarde het beroep van de Inspecteur gegrond, waarmee de navorderingsaanslag en belastingrente in stand bleven. De proceskosten werden niet aan partijen opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond en bevestigt dat de inschrijvingseis voor de kamerverhuurvrijstelling geldt, waardoor de navorderingsaanslag terecht is opgelegd.