Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.2. Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
voor zover[cursief Hof] de woning ter beschikking is gesteld. De inspecteur wijst in dat verband op de wetsgeschiedenis van de vrijstelling voor inkomsten uit kamerverhuur in de Wet IB 1964 en op het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 25 augustus 2000, nr. CPP2000/1313M, BNB 2000/340, en daarop volgende besluiten waarin hetzelfde standpunt is opgenomen over de verhuur van de eigenwoning tijdens de vakantie. Tevens wijst de inspecteur op het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 2 september 2002, nr. CPP2002/2127, BNB 2002/392 en het besluit van de minister van Financiën van 26 augustus 2010, DGB2010/3057M, Stcrt. 2010, 12576.
met[cursief Hof] de daartoe behorende aanhorigheden,
voor zover[cursief Hof] dat de belastingplichtige
anders dan tijdelijkals hoofdverblijf ter beschikking staat. Niet in geschil is dat de door belanghebbende tijdelijk verhuurde ruimte zich bevindt in een tuinhuis en dat het tuinhuis moet worden aangemerkt als een aanhorigheid; dit laatste is althans niet weersproken door de inspecteur. Daaruit volgt dat het tuinhuis slechts
tijdelijkals hoofdverblijf (tezamen met belanghebbendes woning) aan belanghebbende ter beschikking staat. Het tuinhuis kan in dat geval niet tot de eigen woning worden gerekend. Nu de heffing over de tijdelijke verhuur van artikel 3.113 ziet op de eigen woning van artikel 3.111, eerste lid, Wet IB 2001, en het in het kader van Airbnb-activiteiten verhuurde tuinhuis daar niet toe behoort, zijn de inkomsten uit hoofde van die activiteiten niet als belastbare inkomsten uit eigen woning aan de heffing van inkomstenbelasting onderworpen. Uit het systeem van de wet volgt dat het tuinhuis dan behoort tot de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen.
26 727, nr. 3, p. 31):