Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
11 januari 2022.
Hoge Raad
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij het hof het OM had afgewezen op grond van onvoldoende concrete aanwijzingen dat het voordeel afkomstig was uit een concreet gronddelict gerelateerd aan illegale hennepteelt.
De betrokkene was in de strafzaak veroordeeld voor het aanwezig hebben en afleveren van hennepstekken, deelname aan een criminele organisatie en het voorhanden hebben van circa €100.000,- waarvan het hof aannam dat het uit eigen misdrijf afkomstig was. Echter werd hij vrijgesproken van het telen en verkopen van hennep en van witwassen van het geldbedrag.
Het hof oordeelde in de ontnemingsprocedure dat er onvoldoende concrete aanwijzingen waren dat het geldvoordeel uit een concreet gronddelict voortkwam, mede omdat de betrokkene was vrijgesproken van de verkoop en teelt van hennep. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de ontnemingsrechter gebonden is aan het oordeel van de strafrechter maar zelf moet vaststellen of feiten buiten redelijke twijfel kunnen worden vastgesteld. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van de ontnemingsvordering wegens onvoldoende concrete aanwijzingen voor een concreet gronddelict.