Conclusie
1.Feiten
1.Beroepsarbeidsongeschiktheid
[001]tnv [eiser] .
op verzoek van relatiede polis beëindigen. Het beëindigingsverzoek hebben wij echter pas op 1 juni 2015 ontvangen. Coulance halve heb ik de polis per 30 maart 2015 beëindigd (akte van levering van die datum).
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Haviltex-maatstaf.
Van Hove, dat ook een geschil over een arbeidsongeschiktheidsverzekering betrof, volgt dat de vraag of voldaan is aan het transparantievereiste, moet worden beoordeeld aan de hand van (het aandachtsniveau van) de Europese maatman-consument (een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument). Behalve dat het beding uit grammaticaal oogpunt duidelijk en begrijpelijk moet zijn, is ook vereist dat “een geïnformeerde consument op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de economische gevolgen die er voor hem uit voortvloeien, kan voorzien”. [14] De rechter moet dat in het licht van alle omstandigheden van het geval onderzoeken. [15]
contra proferentem-regel uit art. 6:238 lid 2 BW Pro en geoordeeld dat op grond daarvan in een situatie waarin sprake kan zijn van twijfel over de betekenis van een beding de voor de consument/verzekerde gunstigste uitleg prevaleert (rov. 4.6. van het eindvonnis). De rechtbank heeft over de uitleg van het beding als volgt geoordeeld:
welkeziekte de stoornissen zijn toe te schrijven. Voldoende is dat kan worden vastgesteld dat er medisch objectief vastgestelde stoornissen zijn die een consistent geheel vormen en een uiting van ziekte zijn en die het functioneren zodanig beperken dat iemand daardoor geen of minder arbeid kan verrichten.”
stoornissenhebben vastgesteld en daaruit, overigens zonder enige verdere motivering, zelf geconcludeerd dat sprake is van
stoornissen die een uiting van ziekte zijn(rov. 4.9. van het eindvonnis, hiervoor randnummer 3.7). Het hof daarentegen heeft geconstateerd dat de deskundigen wel stoornissen hebben vastgesteld maar daarbij geen ziektebeeld kunnen benoemen. Waar de rechtbank dus zelf de vereiste relatie met ziekte heeft vastgesteld, laat het hof dat aan de deskundigen (maar die weten die relatie niet te leggen).
Sub-subonderdeel 2.1.1‑Iis derhalve vergeefs voorgesteld.
sub-subonderdeel 2.1.1-IIIheeft het hof nagelaten gemotiveerd in te gaan op de door [eiser] aangevoerde omstandigheden en op zijn beroep op het
Van Hove-arrest van het HvJ EU. [19]
Van Hove-arrest heeft [eiser] betoogd dat artikel 1 niet Pro voldoet aan het vereiste van duidelijke en begrijpelijke formulering. Ook hier heeft het hof (afdoende) op gerespondeerd. De
sub-subonderdelen 2.1.1-II en 2.1.1-IIImissen derhalve doel.
sub-subonderdelen 2.1.1-IV en 2.1.1-Vbouwen voort op de voorgaande sub-subonderdelen en falen in het spoor daarvan. Daarmee faalt
subonderdeel 2.1.1.
subonderdeel 2.1.2richt [eiser] zich tegen de uitleg van artikel 1 van Pro de polis door het hof als zodanig, dus uitgaande van de juistheid van het oordeel dat sprake is van een kernbeding. Volgens het subonderdeel, dat zes [20] sub-subonderdelen beslaat, is het hof bij die uitleg van een onjuiste maatstaf uitgegaan, althans is het oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd. Volgens
sub-subonderdeel 2.1.2-I, dat een inleiding vormt op de in de overige sub-subonderdelen uitgewerkte klachten en aldus zelfstandige betekenis mist, heeft het hof er geen blijk van gegeven aan de aan
Haviltexgerelateerde uitlegmaatstaf te hebben getoetst en heeft het hof de achterliggende bedoeling van [eiser] bij het sluiten van de overeenkomst miskend, waar deze volgens het sub-subonderdeel ‘vol’ had moeten worden getoetst. [21]
Haviltex-maatstaf’. [22] Deze maatstaf houdt, kort gezegd, in dat de uitleg
met nameafhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en in het licht van de in voorkomend geval bij de polisvoorwaarden behorende toelichting. In voorkomend geval kunnen ook andere objectieve factoren bij de uitleg worden betrokken. De maatstaf sluit niet uit dat ook meer subjectieve factoren een rol kunnen spelen.
Haviltex-maatstaf heeft miskend. Daarbij worden twee door [eiser] aangedragen factoren concreet benoemd: (kort gezegd) (1) de verwachting van [eiser] bij het aangaan van de overeenkomst en (2) de aard en maatschappelijke functie van de verzekering(sovereenkomst) in kwestie.
Onderlinge Levensverzekeringsmaatschappij/Nationale Nederlanden, [24] bij de uitleg van het beding op grond van de aard en maatschappelijke functie van een arbeidsongeschiktheidsverzekering tot een ruimere uitleg van de verzekeringsdekking had moeten komen. Die veronderstelling vindt steun in noch het arrest – dat specifiek (de maatschappelijke functie van) een AVB [25] betreft –, noch de daarover verschenen literatuur. [26]
Haviltex-maatstaf heeft miskend. Ik bespreek hierna de sub-subonderdelen 2.1.2-III, IV, VI en VII (sub-subonderdeel V mist) nog kort een voor een voor zover zij andere klachten bevatten dan de zojuist besproken klacht.
Sub-subonderdeel 2.1.2-IIImist derhalve doel.
sub-subonderdelen 2.1.2-IV en VIhebben betrekking op de verwijzing van het hof naar het arrest van Uw Raad van 16 april 1999 (rov. 3.15, hiervoor randnummer 2.7). Volgens sub-subonderdeel 2.1.2-IV heeft het hof met die verwijzing de (jurisprudentiële) ontwikkelingen van na 1999 miskend. Het enkele feit dat het hof een
vergelijkingtrekt met de zaak uit 1999 (wat niet inhoudt dat het hof oordeelt dat beide zaken
identiekzijn), brengt echter niet met zich dat het hof latere ontwikkelingen zou hebben miskend. De klacht dat het hof aldus de (mede) na 1999 gevormde uitlegmaatstaf zou hebben miskend, faalt. Hiervoor is al geconcludeerd dat het hof die geobjectiveerde
Haviltex-maatstaf niet heeft miskend. De klacht aan het slot van het sub-subonderdeel (pagina 24 van de procesinleiding) dat het hof enkele essentiële stellingen ten onrechte onbehandeld heeft gelaten, faalt eveneens. Zie in het kader van de door [eiser] ingeroepen aard van de verzekering en zijn redelijke verwachtingen omtrent de verzekering randnummer 3.21 hiervoor. Aan de door [eiser] voorgestane
contra proferentem-regel als bedoeld in art. 6:238 lid 2 BW Pro is het hof niet toegekomen nu het heeft geoordeeld dat artikel 1 van Pro de polis een kernbeding is, zodat art. 6:238 lid 2 BW Pro toepassing mist. Het hof behoefde in de passages in de gedingstukken waarnaar het sub-subonderdeel verwijst, [27] geen beroep op uitleg
contra proferentemanders dan bedoeld in art. 6:238 lid 2 BW Pro te lezen, zodat het hof in dat kader niet kan worden verweten een essentiële stelling onbesproken te hebben gelaten.
Sub-subonderdeel 2.1.2-IVfaalt.
Sub-subonderdeel 2.1.2-VImist doel.
sub-subonderdeel 2.1.2-VIIricht [eiser] zich tegen rov. 3.16 en 3.17. Het in die rechtsoverwegingen opgenomen oordeel dat de door [eiser] voorgestane uitleg zich niet verdraagt met de bewoordingen van de bepaling, wordt bestreden met een op sub-subonderdeel 2.1.1-I en subonderdeel 2.1.2 voortbouwende klacht, die in het spoor daarvan faalt. Het beroep van [eiser] op de
contra proferentem-regel van art. 6:238 lid 2 BW Pro stuit af op het oordeel dat het litigieuze beding een kernbeding is (hiervoor randnummer 3.25).
sub-subonderdeel 2.1.2-VIIis vergeefs voorgesteld.
subonderdeel 2.1.2faalt, en daarmee dat
onderdeel 2.1niet slaagt.
Subonderdeel 2.2-Ibetoogt dat [eiser] een expliciet beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW Pro) heeft gedaan, welk beroep, ten onrechte, door het hof onbesproken zou zijn gelaten. Het subonderdeel verwijst naar randnummer 44. van de memorie van antwoord, waar het bedoelde beroep zou zijn opgenomen. De onder dit randnummer opgenomen tekst luidt als volgt:
de redelijkheid en billijkheid
Subonderdeel 2.2-Iis in zoverre terecht voorgesteld.
Valschermzweeftoestel-arrest [31] heeft geoordeeld dat in het in die zaak voorliggende geval het beroep van de verzekeraar op de primaire omschrijving van de dekking niet met succes kon worden afgeweerd met een beroep op art. 6:248 lid 2 BW Pro. Uit de bewoordingen van deze uitspraak kan immers niet worden afgeleid dat een succesvol beroep op art. 6:248 lid 2 BW Pro ten aanzien van een primaire dekkingsomschrijving categorisch onmogelijk is. [32]
subonderdeel 2.2-II.
onderdeel 2.2gedeeltelijk slaagt.
Subonderdeel 2.3.1bevat, gelezen in samenhang met de onder randnummer 2.3 opgenomen algemeen geformuleerde klacht, een klacht die voortbouwt op de voorgaande klachten ten aanzien van de uitleg door het hof van artikel 1 van Pro de polis. Nu deze klachten vergeefs zijn voorgesteld, faalt
subonderdeel 2.3.1in het spoor daarvan.
sub-subonderdeel 2.3.2-Iis ’s hofs oordeel in rov. 3.39, dat uit de door het hof geciteerde e-mails (in deze conclusie weergegeven in randnummers 1.21 e.v.) niet anders kan worden afgeleid dan dat de beëindiging van de overeenkomst heeft plaatsgevonden op uitdrukkelijk verzoek van [eiser] (hiervoor randnummer 2.10), rechtens onjuist, althans zonder nadere toelichting onbegrijpelijk. Volgens het sub-subonderdeel had het hof uit het feit dat in de geciteerde correspondentie is opgenomen dat de beëindiging ‘voor de lopende zaak geen gevolgen heeft’, dat [eiser] geen juridische bijstand had en in paniek was omdat hij nota’s kreeg die hij niet kon betalen, moeten concluderen dat sprake was van een verzoek van [eiser] tot het premievrij maken van de verzekering en niet van een opzegging. Aldus zou de e-mailcorrespondentie het oordeel dat de verzekering op initiatief van [eiser] is opgezegd niet kunnen dragen.
Sub-subonderdeel 2.3.2-Ifaalt.
sub-subonderdeel 2.3.2-IIterecht is voorgesteld.
Onderdeel 2.3slaagt derhalve (in zoverre als hiervoor bedoeld) gedeeltelijk.