Art. 81 lid 1 ROArt. 5:54 lid 1 BWArt. 5:54 lid 3 BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling van kwade trouw bij legalisering van overbouw door erfdienstbaarheid
In deze zaak stond centraal of de eigenaars die een overbouw tot stand hadden gebracht, kwade trouw of grove schuld konden worden verweten in de zin van artikel 5:54 lid 3 BWPro, nadat de overbouw was gelegaliseerd door vestiging van een erfdienstbaarheid. De procedure begon bij de rechtbank Oost-Brabant met vonnissen in maart en november 2017, waarna het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 16 juli 2019 een arrest wees.
De eigenaars stelden cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, maar de Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging konden leiden. De Hoge Raad vond het niet nodig om de motivering te geven omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 ROPro.
De Hoge Raad verwierp het beroep en veroordeelde de eigenaars in de kosten van het cassatiegeding. De zaak betreft een belangrijk aspect van het burenrecht en de toepassing van artikel 5:54 BWPro omtrent overbouw en de mogelijkheid tot legalisering door het vestigen van een erfdienstbaarheid.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de eigenaars wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/04703
Datum13 november 2020
ARREST
In de zaak van
1. [eigenaar 1], wonende te [woonplaats].
2. [eigenaar 2], wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
hierna gezamenlijk: [de eigenaars],
advocaat: R.T. Wiegerink,
tegen
[de buurman], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [de buurman],
advocaat: M.J. van Basten Batenburg.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/01/317026/HA ZA 17-75 van de rechtbank Oost-Brabant van 22 maart 2017 en 15 november 2017;
het arrest in de zaak 200.232.882/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 juli 2019.
[de eigenaars] hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[de buurman] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [de eigenaars] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [de eigenaars] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de buurman] begroot op € 407,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 13 november 2020.