Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
de grensoverschrijding van 21 centimeter op een hoogte van drie meter’.Ook de omstandigheden die in het vervolg van de alinea in de procesinleiding worden genoemd, brengen niet mee dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is.
omdatdeze dit stellig heeft aangevoerd. Dat is niet wat het hof zegt. Nadat het hof de diverse omstandigheden waarop [de eigenaars] zich beroepen, heeft gewogen, concludeert het hof dat [de buurman] zich heeft vergist,
zoalsdoor [de buurman] stellig is aangevoerd.
nimmerkwade trouw of grove schuld oplevert (wat dan uiteraard van een onjuiste rechtsopvatting blijk geeft). Eerlijk gezegd lukt het me niet om te geloven dat de steller van het middel naar waarheid meent dat dit in het arrest van het hof kan worden gelezen. Mijns inziens wijst niets op die lezing. Vervolgens wordt aangevoerd dat als het hof meent dat om andere redenen geen of minder gewicht aan de wetenschap diende te worden toegekend, de motivering van het hof niet toereikend is. In dit verband vermeldt de steller van het middel dat het hof verzuimd zou hebben in te gaan op de vraag in welk stadium van de bouw de wetenschap bij [de buurman] ontstond. Dit laatste is niet juist. Het hof heeft in rechtsoverweging 3.8.7 vastgesteld dat [de eigenaars] de overbouw pas hebben gezien en [de buurman] daarover hebben ingelicht, in een gevorderd stadium van de bouw, toen de overbouw reeds realiteit was. Ook overigens is het oordeel van het hof mijns inziens niet onvoldoende gemotiveerd.
[de eigenaars]genoemde bedrag van ongeveer € 4.000. Verder heeft het hof de omvang van de overschrijding van de erfgrens in aanmerking genomen, alsook het door [de eigenaars] aangevoerde belang dat zij hun perceel ter plaatse van de overbouw in de toekomst wensen te bebouwen. Naar aanleiding van het vervolg van de alinea uit de procesinleiding nog: de volgorde waarin het hof de betrokken belangen bespreekt, is kennelijk ingegeven door de formulering van de door [de eigenaars] tegen het vonnis van de rechtbank gerichte grieven. Uit die volgorde volgt niet dat het hof van een onjuiste bewijslastverdeling is uitgegaan. Ook maakt die volgorde het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.
onder 2.3nog aanvoert, brengt mijns inziens evenmin mee dat het arrest van het hof onvoldoende is gemotiveerd. Deels berusten de daar opgenomen klachten op dezelfde onjuiste lezing van het arrest van het hof als die in de procesinleiding onder 2.2. Dat het perceel ter plaatse relatief smal is en dat bij de door [de eigenaars] voorgenomen bebouwing een zekere afstand ten opzichte van de overstek van de garage van [de buurman] in acht moet worden genomen, heeft het hof wel degelijk in de beoordeling betrokken. Zie de tweede helft van rechtsoverweging 3.8.6.
onderdeel 5behoeft geen bespreking.