Conclusie
[verweerder 1] ,
[verweerster 2] ,
[eiser 1]respectievelijk
[verweerders]
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
in conventie) – onder meer en voor zover in cassatie nog van belang – gevorderd:
I. een verklaring voor recht dat de door het Kadaster vastgestelde kadastrale grens de erfgrens vormt en dat daarmee sprake is van overbouw door [eiser 1] ;
II. een verklaring voor recht dat [eiser 1] inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [verweerders] vanwege overbouw met betrekking tot: de gemetselde muur en de daarin verwerkte ‘pilaar’ die ondersteuning biedt aan het daarop (tevens gedeeltelijk boven het perceel van [verweerders] ) gebouwde balkon, de eendenschuur, de vlaggenmast en de afwatering van de paardenschuur;
III. (...)
IV. veroordeling van [eiser 1] tot verwijdering van al hetgeen is overgebouwd, op straffe van een dwangsom.
primair: een verklaring voor recht dat de door hem gebouwde muur als erfgrens tussen partijen geldt;
subsidiair: bepaling van de muur als erfgrens, eventueel onder toekenning van een schadevergoeding aan [verweerders] (art. 5:47 BW Pro);
uiterst subsidiair: legalisering van de situatie op de voet van art. 5:54 lid 1 BW Pro door veroordeling van [verweerders] tot overdracht van de grond dan wel vestiging van een erfdienstbaarheid ten behoeve van [eiser 1] .
(tweede) tussenvonnis van 6 februari 2019 [9] (hierna ook:
TV-II) heeft de rechtbank geoordeeld dat het er in rechte voor moet worden gehouden dat de door het Kadaster bepaalde kadastrale grens tussen partijen goederenrechtelijk als erfgrens heeft te gelden (rov. 4.4), zodat sprake is van overbouw en de conventionele vorderingen sub I en II voor toewijzing vatbaar zijn en het in reconventie primair en subsidiair gevorderde moet worden afgewezen (rov. 4.5).
Ter zake van de (eerst bij conclusie na comparitie ingestelde) uiterst subsidiaire reconventionele vordering tot legalisering op de voet van art. 5:54 BW Pro heeft de rechtbank opnieuw een comparitie van partijen gelast (rov. 4.6-4.8).
eindvonnis van 4 september 2019 [10] (hierna ook:
EV) heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van grove schuld aan de zijde van [eiser 1] met betrekking tot de overbouw, zodat hem geen beroep op art. 5:54 lid 1 BW Pro toekomt (rov. 2.7-2.13).
Voorts verwierp de rechtbank het verweer van [eiser 1] dat [verweerders] misbruik van recht in de zin van art. 3:13 BW Pro maken door amotie te vorderen (rov. 2.14-2.18).
In het dictum heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang,
in conventie,naast het sub I en II gevorderde, ook de sub IV gevorderde veroordeling van [eiser 1] tot verwijdering van al het overgebouwde toegewezen en
in reconventiede vorderingen van [eiser 1] afgewezen.
in conventiede vorderingen onder II en IV af te wijzen, en
in reconventie[verweerders] te veroordelen om medewerking te verlenen aan het vestigen van een erfdienstbaarheid dan wel, ter keuze van [verweerders] , overdracht van de betreffende strook grond tegen een bedrag van € 100,- per m2 althans een door een gerechtelijk deskundige vast te stellen bedrag.
(eerste) tussenarrest van 28 september 2021 [12] (hierna ook:
TA-I) heeft het hof vastgesteld dat in hoger beroep niet langer ter discussie staat dat de kadastrale erfgrens de juridische erfgrens is, waarmee eveneens vaststaat dat sprake is van overbouw met betrekking tot: de gemetselde muur, de pilaar die het balkon ondersteunt, de eendenschuur en de vlaggenmast (rov. 3.3).
Het hof heeft een mondelinge behandeling bevolen.
(tweede) tussenarrest van 29 maart 2022 [13] (hierna ook:
TA-II) heeft het hof vastgesteld dat de grieven van [eiser 1] zich laten vertalen in – voor zover in cassatie nog van belang – twee vragen:
(1) is met het oog op toepassing van art. 5:54 leden Pro 1 en 3 BW sprake van kwade trouw/grove schuld aan de zijde van [eiser 1] ?;
(2) maken [verweerders] misbruik van hun eigendomsrecht? (rov. 2.1).
Kwade trouw en/of grove schuld
wegnemingvan het gebouw of werk onevenredig veel zwaarder benadeeld wordt dan de andere eigenaar door
handhavingdaarvan.
Misbruik van bevoegdheid (eigendomsrecht)
de facto[eiser 1] de bevoegdheid opleveren die 5:54 lid 1 BW hem biedt, mits hem geen grove schuld en/of het handelen te kwader trouw zou kunnen worden verweten. Nu [eiser 1] naar het oordeel van het hof wel op zijn minst genomen grove schuld kan worden verweten, kan hij niet via een omweg afdwingen dat [verweerders] de grond alsnog tegen een redelijke prijs aan hem overdragen. Grief 2 kan daarom evenmin tot vernietiging van het vonnis leiden.”
eindarrest van 6 december 2022 [21] (hierna ook:
EA) heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank van 4 september 2019 bekrachtigd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
2. Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing, wanneer een gebouw of werk na verloop van tijd over andermans erf is gaan overhellen.
3. De vorige leden zijn niet van toepassing, indien dit voortvloeit uit een op de wet of rechtshandeling gegronde verplichting tot het dulden van de bestaande toestand of indien de eigenaar van het gebouw of werk ter zake van de bouw of zijn verkrijging kwade trouw of grove schuld verweten kan worden.’
(a) indien uit een op wet of rechtshandeling gegronde verplichting voortvloeit dat de overbouw moet worden geduld, of
(b) indien de eigenaar van de overbouw ter zake van de bouw (of zijn verkrijging) kwade trouw of grove schuld kan worden verweten.
onbevoegdover de erfgrens bouwen. Uitzondering (b) doet zich niet voor indien iemand willens en wetens op andermans erf heeft gebouwd in de veronderstelling daartoe uit hoofde van een door hem veronderstelde erfdienstbaarheid bevoegd te zijn, en zijn onjuiste voorstelling niet aan grove schuld is te wijten. [32] Voor het overige zijn de begrippen ‘kwade trouw’ en ‘grove schuld’ ter zake van de bouw in de wetsgeschiedenis niet toegelicht.
verkrijgingkwade trouw of grove schuld kan worden verweten. [43]
toestemmingtot overbouw. De wetgeschiedenis vermeldt het geval dat de eigenaar van het naburig erf toestemming heeft gegeven om over de grens van dit erf te bouwen en vervolgens zijn erf heeft overgedragen aan een verkrijger die van deze toestemming niets weet en daaraan bij gebreke van toepasselijkheid van art. 6:252 BW Pro (kwalitatieve verbintenis) dan ook niet gebonden is. Volgens de minister is in dat geval bevoegd over de grens gebouwd, maar bestaat niettemin alle aanleiding om art. 5:54 BW Pro van toepassing te achten, hetgeen tot uitdrukking is gebracht in art. 5:54 lid 3 BW Pro. [44] Hieruit leid ik af dat aan de hand van de algemene regels van goederen- en verbintenissenrecht moet worden bezien of opvolgend verkrijger C gebonden is aan de door B verleende toestemming. Is dat het geval, dan is art. 5:54 lid 1 BW Pro niet van toepassing (uitzondering (a), zie hiervoor onder 3.9). Is C niet aan de door B verleende toestemming gebonden, dan is jegens C art. 5:54 lid 1 BW Pro wel van toepassing, zo begrijp ik het door de minister bedoelde stelsel. Daarbij neem ik aan dat de toepasselijkheid van het eerste lid niet alsnog kan afstuiten op uitzondering (b): de door B verleende toestemming brengt mee dat A ter zake van de overbouw geen kwade trouw of grove schuld kan worden verweten, ook niet ten opzichte van C. [45]
[eiser 1] het bedrijfspand [heeft] laten bouwen overeenkomstig bouwtekening II, met dien verstande dat de poort niet is verkleind; die heeft de originele breedte van zes meter behouden conform bouwtekening I”. Het valt uiteen in twee klachten.
subonderdeel 1.1is deze vaststelling onbegrijpelijk gemotiveerd in het licht van:
(i) het feit dat beide bouwtekeningen (I) en (II) onderdeel zijn gaan uitmaken van de vergunning (rov. 2.8 TA-II), en
(ii) de volgende stellingen van [eiser 1] :
a) [eiser 1] wilde Bouwtekening II met een kleinere oprit absoluut niet en heeft tijdens het overleg met de Gemeente alleen verder gepraat over Bouwtekening I; [49]
de facto –qua resultaat
–heeft laten bouwen zoals aangegeven op bouwtekening II (met dien verstande dat de poort niet is versmald maar de originele breedte conform bouwtekening I heeft behouden). Anders dan de klacht, lees ik daarin niet de vaststelling dat [eiser 1] daadwerkelijk op basis van bouwtekening II (met daarop geprojecteerde smalle poort) heeft
willenbouwen en
heeft bedoeldte bouwen.
beidetekeningen bleek en met welke
beidetekeningen [eiser 1] bekend was, terwijl hij er bovendien voor heeft gekozen geen kadastrale inmeting te laten plaatsvinden (TA-II, rov. 2.11).
Daarom was [eiser 1] bij het bouwen van de poort en het balkon te kwader trouw, althans is het aan zijn grove schuld te wijten dat overbouwd is” (rov. 2.11 TA-II).
alleomstandigheden van het geval van belang zijn.
In ieder geval zou het oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zijn, omdat volgens [eiser 1] uit de stellingen a) t/m g) blijkt dat hij – gelet op het overleg met betrokkenen bij de positionering van het pand – wel degelijk
rekeningheeft gehouden (althans
proberente houden) met de zuidelijke erfgrens en met de vergunning (en de bouwtekeningen). Nu [betrokkene 1] nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de (over)bouw, mocht [eiser 1] aannemen dat hij rekening hield met de erfgrens en handelde in lijn met de vergunning en de bouwtekeningen, aldus het subonderdeel.
Ten eerste stelt het hof vast dat feitelijk sprake is van overbouw (“
Op de luchtfoto is te zien dat de erfgrens ter hoogte van de poort (bij de pijl op de bouwtekeningen) met enkele meters is overschreden en dat de erfgrens ook door de bouw van het balkon, de muur langs de westzijde van het pand, de afwatering en de eendenschuur is overschreden. [eiser 1] heeft dus geen rekening gehouden met de zuidelijke erfgrens (…); niet met de bouw van de poort en niet met de bouw van het balkon. Hij heeft een en ander gebouwd met de op de eerste tekening aangegeven breedte, en heeft daarmee de zuidelijke erfgrens een paar meter overschreden”).
Ten tweede stelt het hof vast dat de erfgrens op de tekeningen te zien was (“
de zuidelijke erfgrens die uit beide tekeningen duidelijk bleek”).Ten derde stelt het hof vast dat [eiser 1] bekend was met beide bouwtekeningen. Op grond van deze bekendheid oordeelt het hof dat [eiser 1] geacht moet worden bewust van de vergunning (van beide bouwtekeningen) te zijn afgeweken, dan wel zich daarvan bewust had behoren te zijn.
Ten slotte overweegt het hof in rov. 2.11 dat [eiser 1] ervoor heeft gekozen geen kadastrale inmeting te laten plaatsvinden, ook al waren de erfgrenzen op het braakliggende terrein visueel niet zichtbaar.
directaansluit op de erfgrens [63] – [eiser 1] zich ervan bewust had moeten doen zijn dat een verkeerde positionering van het gebouw licht tot overbouw zou kunnen leiden, hetgeen in combinatie met de omstandigheid dat de erfgrenzen op het braakliggende terrein niet visueel zichtbaar waren, voor [eiser 1] leidde tot een onderzoeksplicht, namelijk: het laten plaatsvinden van een kadastrale inmeting. Het achterwege laten van deze inmeting werd door het hof kennelijk beschouwd als een ernstig verwijt.
[eiser 1] […] dus geen rekening [heeft] gehouden met de zuidelijke erfgrens die uit beide tekeningen duidelijk bleek”’, aldus worden begrepen dat het hof nogmaals vaststelt dat [eiser 1] feitelijk heeft overgebouwd (hetgeen overigens ook niet meer in geschil was, vgl. rov. 3.3. TA-I). Het hof heeft met deze zinsnede kennelijk
niettot uitdrukking willen brengen dat [eiser 1] zich ook daadwerkelijk bewust was of behoorde te zijn van de onbevoegde grensoverschrijding. Deze (normatieve) bewustheid baseerde het hof op het achterwege laten van de kadastrale inmeting.
geprobeerdheeft rekening te houden met die zuidelijke erfgrens, heeft het hof dat betoog kennelijk gewogen en te licht bevonden. Dat het hof niettemin onderzoek eiste is niet onbegrijpelijk, mede in het licht van de eigen stellingen van [eiser 1] dat de perceelsgrenzen niet zichtbaar waren [64] en dat hij zelf het bouwwerk heeft uitgezet en gebouwd [65] en van het verweer van [verweerders] dat uit tekening II volgt dat het niet mogelijk was om binnen de perceelsgrenzen te blijven én een oprit van (bijna) 6 meter breed te hebben. [66]
ervoor (heeft) gekozen geen kadastrale inmeting te laten plaatsvinden, ook al waren de erfgrenzen op het indertijd braakliggende terrein visueel niet zichtbaar”. Het berust op de lezing dat naar het oordeel van het hof reeds het enkele ontbreken van kadastrale inmeting betekent dat [eiser 1] te kwader trouw is en/of grove schuld te verwijten valt. Het klaagt dat in dat geval het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd is.
niet gesteld of gebleken is, dat de toenmalige eigenaar van het zuidelijke erf, [betrokkene 1] , (...) op dat moment met het overschrijden van de erfgrens heeft ingestemd“ (rov. 2.11 TA-II).
Subonderdeel 4.2klaagt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover in zijn oordeel besloten ligt dat omstandigheden
nade overbouw de kwade trouw dan wel grove schuld
ten tijdevan de overbouw niet kunnen wegnemen.
“bij het bouwenvan de poort en het balkon”(onderstreping, A-G) te kwader trouw was, althans dat het aan zijn grove schuld te wijten is dat is overgebouwd. Volgens het hof komt “
daarin” (waarmee wordt verwezen naar: de aanwezigheid van kwade trouw dan wel grove schuld bij de overbouw van de poort en het balkon) geen verandering als waar is dat [betrokkene 1] er nadien geen bezwaar tegen had dat een muurtje zou worden opgetrokken. Deze overweging dient te worden bezien tegen de achtergrond van het volgende.
ander object(namelijk instemming met de muur) de eenmaal vaststaande kwade trouw/grove schuld ten aanzien van het gerealiseerde object (poort/balkon) kunnen doen wegvallen.
relatiefklein stuk grond gaat. Volgens het hof kan de omvang van het gehele perceel in deze context niet tegen [verweerders] worden gebruikt. Het subonderdeel voert aan dat het hof niet de absolute, maar de relatieve omvang van de inbreuk had moeten betrekken/als uitgangspunt moeten nemen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een onevenredigheid tussen de verwijdering en de handhaving van de overbouw.
de facto[eiser 1] de bevoegdheid opleveren die 5:54 lid 1 BW hem biedt, mits hem geen grove schuld en/of het handelen te kwader trouw zou kunnen worden verweten. Nu [eiser 1] naar het oordeel van het hof wel op zijn minst genomen grove schuld kan worden verweten, kan hij niet via een omweg afdwingen dat [verweerders] de grond alsnog tegen een redelijke prijs aan hem overdragen. Grief 2 kan daarom evenmin tot vernietiging van het vonnis leiden.”