Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
3 maart 2020.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor meermalen gepleegde oplichting. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad, met diverse klachten over de bewezenverklaring van de oplichting.
De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de raadsman van de verdachte schriftelijk heeft gereageerd. De Hoge Raad heeft de klachten inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest.
De Hoge Raad motiveert zijn beslissing niet uitvoerig, omdat de klachten geen vragen oproepen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Hierdoor blijft het arrest van het gerechtshof in stand en wordt het cassatieberoep verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.