Uitspraak
19 oktober 2018, nummer 22/001903-18, in de strafzaak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
24 maart 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van poging tot diefstal door braak in een woning. Het gerechtshof Den Haag had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden. Bij de strafoplegging had het hof zwaar gewicht toegekend aan het feit dat de verdachte ondanks eerdere onherroepelijke veroordelingen voor soortgelijke feiten opnieuw een strafbaar feit had gepleegd.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte had aangenomen dat de eerdere veroordelingen onherroepelijk waren op het moment van het plegen van het onderhavige feit. Geen van de eerdere veroordelingen voldeed aan die voorwaarde, waardoor het hof niet had mogen meewegen dat de verdachte zich opnieuw schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit. Hierdoor was de strafmotivering onvoldoende begrijpelijk.
De Hoge Raad vernietigde daarom de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof Den Haag voor een nieuwe beoordeling van de straf. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 24 maart 2020.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.