Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
medeplegen van voorbereiding van diefstal voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden. Daarnaast heeft het hof in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen verbeurd verklaard.
eerste middelklaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte opzet had op het gebruik van geweld bij de overval.
hij op 10 december 2014 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het met anderen te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten een diefstal in vereniging voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld, opzettelijk een personenauto, merk BMW, en een personenauto, merk Opel Astra, en een personenauto, merk KIA, en bivakmutsen en handschoenen en mobiele telefoons, kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad.”
(…)
Feit 1
het gebruik van geweld dan wel bedreiging met geweld [ligt] besloten.”
hoe of wat”. Deze lezing wordt onder meer gesterkt doordat ook vader [medeverdachte 2] met zijn zoon op 9 december 2014 bij het appartement en op de binnenplaats van het complex zijn gesignaleerd, door de berichten tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] over de vraag of het gunstig is dat het druk is rond de school voor het appartement op het moment dat het geld wordt gebracht, door de berichten die [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 2] stuurt op 10 december 2014 met de boodschap dat het geld er is en dat ze vertrekken, doordat zij terugkeert naar het appartement als de verdachten niet komen opdagen, doordat de verdachten om de hoek van het appartement worden aangehouden en doordat enkele bivakmutsen en handschoenen in hun voertuigen worden gevonden. Daar komt bij dat het hof de verklaring van de verdachte over zijn aanwezigheid (na)bij het appartementencomplex op 9 en 10 december 2014, als niet aannemelijk terzijde schuift en dat een bivakmuts werd aangetroffen in het portiervak naast de passagiersstoel in de auto waarin de verdachte zat kort na de aanhouding. De gevolgtrekking van het hof dat de overval moest plaatsvinden in of bij het appartement is in het licht van de bewijsvoering niet onbegrijpelijk.
Het hof acht niet aannemelijk dat de persoon die het geld zou komen brengen, naar later bleek [medeverdachte 4] , de grote som geld, vrijwillig en zonder verzet zou afgeven aan of laten meenemen door verdachten. Het gebruik van geweld dan wel de bedreiging met geweld zou dan ook nodig zijn geweest om de diefstal te voltooien. Dat er geen wapens bij de aangehouden verdachten zijn aangetroffen doet, mede gelet op het postuur van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , het getalsmatige overwicht van verdachten, en de dreiging die uitgaat van personen met bivakmutsen, aan deze gevolgtrekking niet af.”
van [medeverdachte 5]zou worden afgenomen zodat het niet voor de hand ligt dat geweld zou worden gebruikt – vermoedelijk omdat [medeverdachte 5] bij het plan betrokken was en dus ‘één van hun’ was – doet daaraan niet af. Weliswaar was [medeverdachte 4] in haar appartement om het geld aan haar over te dragen, hij zou haar ook minstens naar Brussel begeleiden. Ik begrijp het hof zo dat het van oordeel is dat het geld zodoende niet (volledig) aan [medeverdachte 5] was toevertrouwd. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat [medeverdachte 4] zonder verzet zou toelaten dat geld wordt geroofd dat aan ‘de organisatie’ toebehoort, en daarmee ook aan hem (en [medeverdachte 5] ) als onderdeel van de organisatie. Dat oordeel is in het licht van de bewijsvoering niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
tweede middelklaagt over de strafmotivering, in het bijzonder dat het hof ten onrechte een strafrechtelijke veroordeling die nog niet onherroepelijk was, heeft meegewogen in het nadeel van de verdachte.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 januari 2019 is hij geruime tijd eerder ter zake van andersoortige feiten onherroepelijk veroordeeld. Hieruit blijkt eveneens dat de verdachte voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit al in aanraking was geweest met politie en justitie wegens onder meer het medeplegen van afpersing en witwassen en hiervoor bijna twee jaar in voorlopige hechtenis had doorgebracht in de periode 2008-2010. Die strafrechtelijke procedure duurde nog voort ten tijde van het bewezen verklaarde feit en voor die feiten is hij na het bewezen verklaarde feit onherroepelijk veroordeeld. Het hof concludeert daaruit dat de verdachte op het gebied van gewelds- en vermogensdelicten geen onbeschreven blad was en dat deze strafrechtelijke verwikkelingen hem er niet van hebben weerhouden zich opnieuw met zulke delicten bezig te houden. Het hof weegt dit in het nadeel van de verdachte mee.”
(On)herroepelijke zaken betreffende misdrijven met een lopende proeftijd” een vermelding van de zaak waarnaar het hof in bovenstaand citaat verwijst. In die zaak veroordeelde het hof Amsterdam de verdachte op 22 juni 2010 voor onder meer (kort gezegd) het meermaals medeplegen van afpersing, witwassen en verboden wapenbezit, gepleegd tussen 1 februari 2007 en 25 maart 2008. Dit arrest werd door de Hoge Raad op 8 januari 2013 gedeeltelijk vernietigd en teruggewezen naar het hof Amsterdam. [4] Dat hof deed opnieuw uitspraak op 27 oktober 2015, en ook tegen dit arrest werd cassatie ingesteld. De Hoge Raad verklaarde dit cassatieberoep op 7 maart 2017 niet-ontvankelijk. [5] Daarmee is de zaak op die datum onherroepelijk geworden.
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen”, bij vonnis van 14 maart 1994 de politierechter te Amsterdam, onherroepelijk sinds 2 mei 1995.
NJ2017/400 m.nt. Reijntjes:
Het staat de rechter vrij om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet tenlastegelegd feit, onder meer wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (vgl. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968,NJ
2010/586). Daarbij wordt, mede gelet op het bepaalde in art. 78b Sr, met een onherroepelijke veroordeling gelijkgesteld een onherroepelijke strafbeschikking.
dat de verdachte op het gebied van gewelds- en vermogensdelicten geen onbeschreven blad was en dat deze strafrechtelijke verwikkelingen hem er niet van hebben weerhouden zich opnieuw met zulke delicten bezig te houden” en die omstandigheid in strafverzwarende zin in aanmerking genomen. Zodoende heeft het hof – in de woorden van de Hoge Raad – ‘met die vermelding van een niet-tenlastegelegd feit bij de strafoplegging in het bijzonder gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte niettegenstaande deze eerdere veroordeling zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan zo een strafbaar feit’. Dit is het hof alleen toegestaan als de veroordeling ter zake van dat niet-tenlastegelegde feit reeds onherroepelijk is ten tijde van het begaan van het feit waarop de strafoplegging betrekking heeft. [7] De strafoplegging is dus ontoereikend gemotiveerd. [8]