ECLI:NL:HR:2020:541

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 maart 2020
Publicatiedatum
30 maart 2020
Zaaknummer
19/00755
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SrArt. 300 SrArt. 366 SvArt. 588 SvArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand · 7 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij betekening verstekmededeling

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en mishandeling. Het hof had een gevangenisstraf opgelegd van 197 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Het cassatiemiddel klaagde dat na het wijzen van het arrest onvoldoende voortvarendheid was betracht bij de betekening van de verstekmededeling, waardoor de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden. De Hoge Raad stelde vast dat de verstekmededeling pas ruim na het verstekarrest was betekend, namelijk pas op 12 mei 2017, terwijl het verstekarrest dateerde van 26 juli 2013.

De Hoge Raad oordeelde dat hierdoor sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn en dat dit een vermindering van de opgelegde straf rechtvaardigde. De straf werd verminderd met 17 dagen tot 180 dagen gevangenisstraf, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd met 17 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn bij betekening van de verstekmededeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/00755
Datum31 maart 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 26 juli 2013, nummer 22-000395-13, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.P. Wesselink-van Dijk, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, en tot vermindering daarvan door de Hoge Raad naar diens gebruikelijke maatstaf.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat na het wijzen van het arrest bij het betekenen van de verstekmededeling onvoldoende voortvarendheid is betracht, als gevolg waarvan de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 197 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 180 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
31 maart 2020.