Conclusie
de vrouw
de man
1.Inleiding
het verwijzingshof) overwogen dat het nog diende te beslissen over twee componenten uit dat verrekenbeding, te weten (i) de waarde van de woning op de peildatum (28 maart 2007), en (ii) het indexeringspercentage. Het verwijzingshof heeft op beide punten het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige gevolgd en is uitgekomen op een door de man aan de vrouw te betalen bedrag van € 40.400,--.
2.Feiten en procesverloop
de bestreden beschikking) [1] :
- i) Partijen zijn op 30 september 1993 gehuwd.
- ii) Partijen zijn voordien bij notariële akte van 4 november 1992 de volgende huwelijkse voorwaarden (hierna:
- iii) De vrouw heeft op 28 maart 2007 een verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken ingediend.
- iv) Het huwelijk van partijen is op 31 maart 2008 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
het perceeldan wel
de woning.
de deskundige) benoemd teneinde een schriftelijk deskundigenbericht uit te brengen met betrekking tot de vraag:
wat is de geïndexeerde waarde naar de norm van de Nederlandse Vereniging voor Makelaars, alsmede de huidige waarde in onbewoonde staat van het perceel (...)?
het deskundigenrapport). In dat rapport heeft de deskundige de onderhandse verkoopwaarde, vrij van huur en gebruik, van het perceel getaxeerd op € 700.000,- en de geïndexeerde waarde op € 599.000,-. [6]
principale grief IVis gericht tegen het gehanteerde indexeringspercentage van 3%.
De man heeft verzocht de beschikking gedeeltelijk te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man ter uitvoering van art. 5 onder Pro b HV aan de vrouw verschuldigd is een bedrag van € 40.000,-, verminderd met de in rekening gebrachte makelaarskosten.
incidentele grief 3 [8] is gericht tegen de gehanteerde waarde per peildatum ad € 700.000,-.
De vrouw heeft in incidenteel appel verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de waarde van de woning te bepalen op € 905.000,- zijnde het gemiddelde van de twee taxaties die in opdracht van de vrouw zijn gemaakt.
het hof voor verwijzing), voor zover van belang, overwogen:
Het hof is van oordeel dat, nu de onderhavige stukken zijn ingediend nadat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden en het hof tijdens die mondelinge behandeling geen gelegenheid heeft gegeven om de onderhavige stukken over te leggen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1.4.6. van vorengenoemd procesreglement bij de beoordeling van de onderhavige geschilpunten met de inhoud van de overgelegde stukken geen rekening kan worden gehouden.
de tuchtuitspraakresp.
de CRvT NVM).
het p-v).
Ter onderbouwing van haar stelling dat niet kan worden uitgegaan van de door de deskundige getaxeerde waarde heeft de vrouw een beroep gedaan op de tuchtuitspraak van de CRvT NVM, waaruit volgens haar blijkt dat de deskundige niet tot de getaxeerde waarde had kunnen komen.
De CRvT NVM baseert zijn uitspraak voornamelijk op de omstandigheid dat er een te grote discrepantie is met de twee door de vrouw overgelegde deskundigenrapporten. In deze rapporten is door de partij-deskundigen echter uitgegaan van een andere peildatum (maart 2008) en een afwijkend object. Ook zal het verbieden van prostitutie in de omgeving van de woning na 28 maart 2007 maar voor de taxaties in opdracht van de vrouw van invloed zijn geweest op de waarde van de woning. Van de door de vrouw gestelde (en in de tuchtuitspraak aangenomen) afwijking van meer dan 10% tussen het deskundigenrapport en dat van de door de vrouw ingeschakelde taxateurs kan dan niet worden uitgegaan. Daaruit volgt dat de tuchtuitspraak een onvoldoende bezwaar oplevert om aan het deskundigenrapport voorbij te gaan.
Ook de twee in opdracht van de vrouw opgestelde deskundigenrapporten dienen niet tot een andere getaxeerde waarde van de woning te leiden, nu daarin op wezenlijke punten (peildatum en object) niet de juiste uitgangspunten voor de waardering zijn gehanteerd (rov. 3.21).
3.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
"3.4 De overige klachten van het middel behoeven niet te worden behandeld."
aanhefdat waar het als (2) aangeduide oordeel voortbouwt op het (onjuiste/onbegrijpelijke) oordeel van het verwijzingshof dat de tuchtuitspraak onderdeel uitmaakt van het procesdossier van het hof voor verwijzing, dit oordeel evenmin in stand kan blijven.
voortsdat de overweging van het verwijzingshof in rov. 3.20 rechtens onjuist dan wel niet toereikend gemotiveerd is voor zover het hof daarmee bedoelt dat de ‘enkele aankondiging’ bij het hof voor verwijzing dat een uitspraak zou worden gedaan in de klachtprocedure, maakt dat de tuchtuitspraak kan worden beschouwd als een precisering van reeds vóór cassatie ingenomen stellingen en daarom een uitzondering rechtvaardigt op de ‘in beginsel strakke leer’ over de beperkte omvang van het partijdebat na cassatie en verwijzing. Van onjuistheid is sprake als het verwijzingshof de enkele ‘aankondiging’ van de tuchtuitspraak heeft gekwalificeerd als een voor cassatie en verwijzing ‘ingenomen stelling’. Daarvan kan immers slechts sprake zijn indien de ‘aankondiging’ gepaard gaat met onderbouwde bezwaren
in de civiele procedurebij het hof voor verwijzing over het handelen van de deskundige én de stelling dat over díe specifieke bezwaren een oordeel van het tuchtcollege is gevraagd, dat daarom relevant is in de civiele procedure. Indien het verwijzingshof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd, omdat volstrekt onduidelijk blijft op grond van welke stellingen van de vrouw in de procedure bij het hof voor verwijzing het verwijzingshof zijn oordeel heeft gebaseerd dat aan genoemde voorwaarden is voldaan.
Daarom zal bij de beoordeling van het principale cassatiemiddel tot uitgangspunt moeten dienen dat (1) de tuchtuitspraak
nietbehoorde tot de gedingstukken bij het hof voor verwijzing en om die reden in de verwijzingsprocedure geen rol kon spelen; en (2) de tuchtuitspraak geen ‘nieuwe omstandigheid’ is die een uitzondering op de ‘in beginsel strenge leer’ van de Hoge Raad rechtvaardigt, aldus de man.
Grief 3
Ad grief IV (ten onrechte door de vrouw genummerd grief III)
in redelijkheidhet oordeel van de deskundige niet kan overnemen. Met andere woorden, de bezwaren moeten betreffen de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd of de inhoud van het deskundigenbericht.
MnV) heeft de vrouw betoogd dat de rechtbank voor de waarde per peildatum is uitgegaan van de waarde uit het deskundigenrapport. Zij heeft daartegen een incidentele grief gericht. Zij gaat uit van het gemiddelde van de twee in haar opdracht uitgevoerde en door haar in het geding gebrachte taxaties (€ 905.000,-) (MnV, nr. 4.4). Zij heeft haar incidentele grief 3 onderbouwd met de volgende feiten en omstandigheden: a) er staan veel onjuistheden in het deskundigenrapport, b) de afwijking tussen het deskundigenrapport en de twee andere taxaties bedraagt met 30% meer dan de volgens de richtlijnen geldende 10%, c) de vrouw heeft hierover vragen aan de deskundige gesteld maar die heeft daarop niet gereageerd, d) de man heeft zich niet gehouden aan de afspraak dat er geen contact zou zijn met de deskundige, en heeft hem zonder de vrouw daarvan in kennis te stellen een brief gestuurd waardoor de deskundige is beïnvloed. In die brief verzocht hij de deskundige zaken uit te sluiten en geen rekening te houden met de door de vrouw aangebrachte veranderingen [37] (MnV, nr. 4.5).
MvAnV)heeft de man zich primair op het standpunt gesteld dat het verwijzingshof de tuchtuitspraak en de daarop gebaseerde stellingen van de vrouw in haar memorie na verwijzing (onder 4.6-4.9) buiten beschouwing moet laten. De brieven met bijlagen van 31 mei 2011 en 1 februari 2012 zijn immers geen onderdeel van het procesdossier (MvAnV, nr. 35). Daarom is ook onjuist dat het hof voor verwijzing – indien dit het deskundigenrapport had willen volgen – de tuchtklacht en de stellingen van de vrouw over ondeugdelijkheid van het deskundigenrapport niet onbesproken had mogen laten (MvAnV, nr. 46).
Subsidiair, voor zover het verwijzingshof niettemin kennis zou nemen van de tuchtuitspraak en de daarop gebaseerde stellingen van de vrouw, stelt de man dat de beslissing van de CRvT NVM gebaseerd is op manipulatie en valse voorstellingen van de vrouw. Hij betwijfelt namelijk de objectiviteit van de in opdracht van de vrouw (door kennissen/collega’s van haar) verrichte hertaxaties. Verder wijkt het getaxeerde object af: in de hertaxaties is het hoogwaardige tuinhuis meegenomen. Dit is echter eigendom van het bedrijf van de man, waarvoor in de procedure al op andere wijze in de verdeling is voorzien. Verder zijn in de hertaxaties waardeverhogende verbouwingen na peildatum meegenomen. Voorts is in de hertaxaties een afwijkende peildatum gehanteerd (2008 i.p.v. 2007), terwijl er in de tussenliggende periode een prijsstijging van 4,4% is geweest en ten tijde van de peildatum van de hertaxaties inmiddels publiekelijk bekend was dat overlastgevende prostitutie zou verdwijnen. Verder stelt de man dat de waarde in de hertaxaties zich niet verhoudt tot de WOZ-waarden in 2006 en 2007 (MvAnV, nr. 36, welke bezwaren tegen de hertaxaties worden herhaald in nr. 50). De in opdracht van de vrouw verrichte hertaxaties moeten dan ook door het verwijzingshof terzijde worden gelaten (MvAnV, nr. 52).
In rov. 3.20 en 3.21 (eerste alinea) stelt het verwijzingshof (onbestreden) vast dat de vrouw in appel
bezwarenheeft geuit tegen het deskundigenrapport, op grond van welke bezwaren dat deskundigenrapport door het hof buiten beschouwing zou moeten worden gelaten. Voorts stelt het verwijzingshof bij de behandeling van deze stellingen in rov. 3.21 (tweede alinea) vast dat de vrouw
ter onderbouwingvan de stelling dat niet van het deskundigenrapport kan worden uitgegaan een beroep heeft gedaan op de tuchtuitspraak van de CRvT NVM. Ook die vaststelling is in cassatie niet bestreden. De tuchtuitspraak had het verwijzingshof in rov. 3.20 (slot) aangemerkt als een ‘nieuwe’, zij het ter zitting van het hof voor verwijzing reeds ‘aangekondigde’ omstandigheid.
Voor het overige faalt het bij gebrek aan belang. Al zou het in rov. 3.7 (slot) bereikte en met het onderdeel bestreden oordeel mede berusten op de in subonderdeel 2.1 aan het hof toegeschreven en bestreden lezing van de inhoud van de cassatieklachten, dan laat dit onverlet dat het hof de tuchtuitspraak in zijn beoordeling kon betrekken op de in rov. 3.20 en 3.21 besloten liggende grond.
4.Bespreking van het principale cassatieberoep
aantekeningen mondelinge behandeling deel 2” wordt verwezen.
(1) dat het tuchtcollege zijn oordeel
voornamelijkbaseert op de omstandigheid dat er een te grote discrepantie is met de twee door de vrouw overgelegde deskundigenrapporten;
(2) dat de deskundigenrapporten die de vrouw heeft overgelegd uitgaan van een
peildatumvan maart 2008, terwijl de peildatum 28 maart 2007 is; en
(3) dat ook het
objectvan de taxatie in de door de vrouw overgelegde rapporten afwijkt van dat waarvan de deskundige is uitgegaan, en dat het
verbieden van prostitutiein de omgeving van de woning in de periode na 28 maart 2007 voor de taxaties van de door de vrouw ingeschakelde deskundigen van invloed zal zijn geweest op de waarde van de woning;
welke overwegingen hierna worden aangeduid als:
overweging (1), (2)resp.
(3).
subonderdelen 2.4-2.8klagen, samengevat, dat overweging (1) getuigt van een apert onbegrijpelijke uitleg van de tuchtuitspraak. Onder 7.2 en 7.3 van de tuchtuitspraak zijn de klachtonderdelen 3.1 sub b, c, d en f gegrond verklaard. De motivering daarvoor kan worden gevonden onder 6.15 tot en met 6.18 van de tuchtuitspraak. Uit die motivering volgt dat in de tuchtuitspraak met name doorslaggevend is geacht dat de deskundige geen inzicht heeft kunnen geven in de door hem gekozen benadering en evenmin onder verwijzing naar concrete referentieobjecten aannemelijk heeft gemaakt dat zijn waardering juist is.
subonderdelen 2.9-2.10klagen, samengevat, dat de overweging (2) – over de afwijkende
peildatum– zonder nadere toelichting apert onbegrijpelijk is. Het verwijzingshof heeft essentiële stellingen over het vermeende verschil in taxatiedatum die de vrouw ter zitting naar voren heeft gebracht [61] niet besproken. Gelet op dat verweer alsmede de in het deskundigenrapport genoemde verschillende data (in de hoofdstukken 8, 5 en 1.5) is onbegrijpelijk dat het verwijzingshof tot uitgangspunt neemt dat dat rapport van een
anderepeildatum uitgaat dan de rapporten zijdens de vrouw. Dit is te meer onbegrijpelijk in het licht van de brief van de deskundige aan de rechtbank waarin hij vraagt om duidelijkheid over de datum waartegen hij dient te taxeren en benoemt dat partijen daarover van mening verschillen (20 juni 2008, dan wel 28 maart 2007). [62] De overweging (2) is voorts onbegrijpelijk in het licht van de in de beschikking van de rechtbank van 22 april 2008 [63] verleende opdracht om de waarde per datum
hedente taxeren.
1.5. Te taxeren waarden.Uit de e-mail correspondentie van partijen blijkt dat aangaande deze datum geen overeenstemming is. In de opdrachtformulering door de Rechtbank (blad 5 onder “de deskundige” wordt geen nadere mededeling omtrent peildatum gedaan; de taxateur gaat uit van de tekst op pag 3 van de Rechtbank beschikking “partijen hebben tijdens de comparitie afgesproken om 28 maart 2007 als peildatum te hanteren”.
de [man] email 26 juni 2008:
- verbouwing object I: taxateur gaat bij de waardering per peildatum 28 maart 2007 uit van de staat en toestand zoals waargenomen per opnamedatum 20 juni 2008. (...) [65]
Rekening houdend met de omstandigheden die op de waarde van invloed kunnen zijn, de ingewonnen en verkregen informaties, genoemde overwegingen en hierna te noemen overwegingen, uitgevoerde berekeningen, vergelijkingen van verkochte en/of verhuurde objecten, worden de onderhavige onroerende goederen op basis van prijspeil
28 maart 2007getaxeerd op:
subonderdelen 2.11-2.16klagen, samengevat, over overweging (3) voor zover daarin wordt geoordeeld dat het
objectin de door de vrouw overgelegde taxatierapporten afwijkt van het taxatierapport van de deskundige. Die overweging geeft onvoldoende inzicht in de gedachtegang van het verwijzingshof, omdat nergens uit blijkt wat het verwijzingshof met het “object van de taxatie” bedoelt. Voor zover moet worden begrepen dat het verwijzingshof de nieuwe weren van de man in memorie na verwijzing nr. 36 en 50 heeft gevolgd dat in de taxaties in opdracht van de vrouw waarde verhogende verbouwingen na de peildatum zijn meegenomen en dat in die hertaxaties een tweede object (het tuinhuis) is meegenomen, is dit apert onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van de vrouw ter zitting dat in het taxatierapport van de deskundige het tuinhuis ook is meegenomen (hoofdstuk 1.5 [69] ) en hij zich daarin niet wil uitlaten over de vraag of sprake is van waarde verhogende verbouwingen [70] .
Ook het object van de taxatie in de door de vrouw overgelegde taxatierapporten [afwijkt] van waar de deskundige (...) is uitgegaan”, waardoor die verschillende waarden zich niet laten vergelijken. Wanneer men naar de omschrijvingen van het getaxeerde object in de stukken kijkt valt reeds op dat in het deskundigenrapport bij de oppervlakte melding wordt gemaakt van een GBO van ca. 400 m2, en in de taxatierapporten zijdens de vrouw [71] van een woonoppervlakte van ca. 440 m2 respectievelijk 500 m2. Die overweging is daarmee, anders dan de subonderdelen betogen, niet onbegrijpelijk. Door de vrouw is niet aangevoerd dat het deskundigenrapport een onjuist object hanteerde, terwijl zij voorts betoogde dat de door haar ingebrachte taxaties daarmee te vergelijken zouden zijn, waarmee dan ook niet onbegrijpelijk is dat het verwijzingshof reeds om dit onverklaard gebleven verschil meent niet van een dergelijke vergelijkbaarheid uit te kunnen gaan, waarmee de vrouw haar op haar taxatierapporten gebaseerde bezwaar dan nader had moeten onderbouwen. [72]
subonderdelen 2.17-2.23klagen, samengevat, over overweging (3) voor zover daarin wordt geoordeeld dat “
het verbieden van prostitutie in de omgeving van de woning in de periode na 28 maart 2007 voor de taxaties van de door de vrouw ingeschakelde taxateurs van invloed (zal) zijn geweest op de waarde van de woning”. Die aanname is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk in het licht van het partijdebat en de drie taxatierapporten.
7.MARKTINFORMATIE MET BETREKKING TOT HET GETAXEERDE
subonderdelen 2.24-2.26komen op tegen rov. 3.21, specifiek de overweging:
Uit het voorgaande volgt dat de uitspraak van de Centrale Raad van toezicht van de NVM een onvoldoende bezwaar oplevert om voorbij te gaan aan de waarde waarvan [de deskundige] is uitgegaan.”
eerstewordt geklaagd dat die conclusie als voortbouwend op de met de eerdere klachtonderdelen aangevallen drie argumenten (overwegingen 1 t/m 3) niet in stand kan blijven.
Het hof zal daarom overgaan tot inhoudelijke beoordeling van het toe te passen component indexering.”
onderdelen 3.1-3.2klagen, samengevat, dat dit oordeel van het verwijzingshof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat door de man geen (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep is ingesteld tegen het onbehandeld laten door het hof voor verwijzing van zijn grief IV in principaal appel. Dat maakt dat het onbehandeld laten door het hof voor verwijzing van zijn grief voor hém in de procedure na verwijzing bindend is. Dat in de verwijzingsbeschikking is geoordeeld dat het oordeel van het hof voor verwijzing ten aanzien van het verrekenbeding onbegrijpelijk is nu het niet kenbaar op die grief heeft beslist, kan hem – gelet op het verbod van reformatio in peius – niet ten positieve baten. Het verwijzingshof heeft dan ook ten onrechte de indexering alsnog in de beoordeling betrokken en had moeten uitgaan van de door de rechtbank gehanteerde 3% nu de grief van de man niet langer ter beoordeling aan het verwijzingshof voorlag.
reformatio in peius. [88] Toegespitst op de rechter naar wie wordt verwezen, geldt dan dat zijn uitspraak voor de procespartij die als eiser in cassatie een vernietiging heeft weten te bewerkstelligen, niet mag leiden tot een ongunstiger resultaat dan die partij in de in cassatie vernietigde uitspraak had verkregen. [89] Het voorgaande neemt dus niet weg dat deze partij bijvoorbeeld wel een slechtere uitkomst tegemoet kan zien als door de wederpartij ook een (succesvol, al dan niet incidenteel) cassatieberoep wordt ingesteld. [90]