“
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Door of namens de verdachte is geen schriftuur houdende grieven ingediend. Evenmin zijn mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Ook overigens is niet gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak. Om die reden wordt de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.”
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2019 vermeldt onder meer:
“De verdachte, hoewel behoorlijk gedagvaard, als […] is niet ter terechtzitting verschenen.
De advocaat-generaal legt aan het hof over een formulier waaruit blijkt dat achtereenvolgens bij het dagvaarden in hoger beroep, drie dagen voor de terechtzitting van heden en heden door middel van de geautomatiseerde strafrechtsketendatabank (SKDB) is gecontroleerd of de verdachte in een Nederlandse penitentiaire inrichting verbleef, hetgeen niet het geval blijkt te zijn.
Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de strafzaak zal worden voortgegaan.
De voorzitter deelt mede dat in de onderhavige strafzaak door de verdachte geen appelschriftuur is ingediend.
De advocaat-generaal voert het woord, leest zijn vordering voor en legt die aan het gerechtshof over. Hij vordert dat nu de verdachte noch bij schriftuur, noch mondeling het namens hem ingestelde hoger beroep heeft toegelicht of heeft doen toelichten en de verdachte niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, het hof de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk zal verklaren in het namens hem ingestelde hoger beroep.
Na beraad sluit de voorzitter het onderzoek ter terechtzitting en deelt mede dat terstond uitspraak zal worden gedaan.
De voorzitter spreekt het arrest uit.”
6. De akte instellen hoger beroep van 10 januari 2019 houdt in dat op die dag een ambtenaar van de griffie van de rechtbank ter griffie kwam en – “daartoe gemachtigd blijkens de aan de akte gehechte brief welke dient te worden beschouwd als een bijzondere volmacht” (het hierna aan te halen e-mailbericht, AG) – verklaarde namens de verdachte hoger beroep in te stellen tegen het bedoelde eindvonnis van de rechtbank. Aan de akte is gehecht een e-mailbericht dat op dezelfde datum door “ [...] < [...] @hotmail.com>” is verzonden aan de hiervoor genoemde griffieambtenaar van de rechtbank Amsterdam. Dit e-mailbericht houdt, voor zover hier van belang, in:
“Met parketnummer 13-148469-16 met mijn eigen naam [verdachte] zou ik in hoger beroep willen gaan en de tegenpartij werkte toevallig voor [A] dat u dit niet verwart met ams in uw email adres. Ik heb dus geen probleem met de rechtbank. Deze zaak zit vol en en vol met tegenstrijdigheden terwijl het ook niet de grootste zaak is. Ik ben geslagen en in hoefde geen aangifte te doen. Het was wel goed zo vonden ze. De tegenpartij was geen frisse mens van aard die zit te bedreigen en te vloeken en mensen tot het uiterste jaagt en ook nog eens gelijk krijgt. Ik zou u als griffiemedewerker willen machtigen om voor mij in hoger beroep te gaan. Alvast bedankt en ik heb ook geen problemen met de politie. Misschien hebben zij problemen met mij. Terwijl ik de vorige zin schrijf gaan de sirenes van den politie af. Zal wel toeval zijn. Daar moet ik dan maar mee zien te leven. Hopelijk u voldoende te hebben geinformeerd. Tot ziens.”
7. Het hof heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard op de voet van art. 416, tweede lid, Sv. Ingevolge die bepaling kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien door of namens de verdachte geen schriftuur houdende grieven als bedoeld in art. 410, eerste lid, Sv is ingediend en evenmin mondeling bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven. De wetgever heeft aan de appelschriftuur geen nadere inhoudelijke eisen gesteld dan dat deze “grieven” dient te bevatten.Mede omdat ook de verdachte zelf een appelschriftuur kan indienen, respectievelijk mondeling bezwaren kan opgeven, moeten aan de inhoud van deze grieven (en die mondelinge bezwaren) geen hoge eisen worden gesteld.De Hoge Raad legt het begrip “grieven” als bedoeld in art. 410, eerste lid, Sv en het begrip “bezwaren tegen het vonnis” als bedoeld in art. 416, eerste en tweede lid, Sv dan ook zo uit dat daaronder zowel bezwaren direct gericht tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg, als andersoortige gronden voor het instellen van het beroep kunnen worden verstaan.Onder meer de enkele opgave van één of meer getuigen,de door de officier van justitie aangevoerde omstandigheid dat de strafzaak tegen de verdachte verweven is met de tegen een medeverdachte lopende strafzaak waarin appel is ingesteld,en de opgave van de verdachte dat hij wegens een verhuizing niet op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg,zijn aan te merken als grief of bezwaar in voormelde zin.