ECLI:NL:HR:2020:820
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt civielrechtelijke maatstaven voor dienstbetrekking bij loonheffingen
Belanghebbende, een vennootschap, had tot 12 mei 2009 alle aandelen in een dochtermaatschappij die de energiedivisie beheerde. Een werknemer was sinds 1982 in dienst bij belanghebbende en vervulde leidinggevende functies binnen de dochtermaatschappij en belanghebbende. In 2008 besloot belanghebbende de aandelen in de dochtermaatschappij te verkopen. De werknemer nam op 12 mei 2009 ontslag bij belanghebbende en trad diezelfde dag in dienst bij de dochtermaatschappij.
Belanghebbende ontving een naheffingsaanslag loonheffingen omdat de Inspecteur meende dat de dienstbetrekking met de werknemer in 2009 nog bij belanghebbende bestond. Het Hof oordeelde dat de dienstbetrekking tot 12 mei 2009 bij belanghebbende lag en niet bij de dochtermaatschappij, omdat belanghebbende het loon betaalde en gezag uitoefende.
De Hoge Raad bevestigde dat de beoordeling van het bestaan van een dienstbetrekking in de loonheffingen moet plaatsvinden aan de hand van civielrechtelijke maatstaven (artikel 7:610 BW Pro). Het oordeel van het Hof was voldoende gemotiveerd en berustte op een juiste waardering van de feiten. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag blijft in stand.