Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste tot en met het vijfde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het zesde cassatiemiddel
4.Beslissing
2 juni 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van voorbereidingshandelingen tot hennepteelt door het aanbieden en voorhanden hebben van voorwerpen bestemd voor hennepteelt, en medeplegen van het aanwezig hebben van hennep.
De Hoge Raad heeft de ingediende cassatiemiddelen beoordeeld. De klachten over het bewijs rond medeplegen van voorbereidingshandelingen en het aanwezig hebben van hennep konden niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad zag geen noodzaak om de motivering van het hof te toetsen omdat de klachten niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, was overschreden doordat stukken te laat door het hof werden ingezonden. Gelet op de opgelegde straf van vier maanden en de mate van overschrijding, werd aan dit oordeel geen rechtsgevolg verbonden.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep daarom verworpen en het arrest van het hof in stand gelaten. Tevens werd een verbeurdverklaring van een geldbedrag van €9.905 bevestigd, ondanks betwisting door de verdachte.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, tijdens een openbare terechtzitting op 2 juni 2020.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het arrest van het hof blijft in stand met een gevangenisstraf van vier maanden en verbeurdverklaring van €9.905.