Conclusie
1.Inleiding
2.Het middel
Op 12 januari 2016 waren wij, verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , belast met de aanpak van veelvoorkomende criminaliteit, waaronder eveneens de druggerelateerde overlast. Wij zagen op het Noordvliet de ons ambtshalve harddruggebruikster [betrokkene 1] staan. Wij zagen dat zij daar stond in het gezelschap van een ons op dat moment onbekende man met eveneens het uiterlijk van een druggebruiker. Wij zagen dat zij daar verdekt achter een schutting stonden. Wij zagen dat de genoemde man een mobiele telefoon aan het oor vasthield. Beide personen keken druk om zich heen. Wij kregen het vermoeden dat mogelijk een overdracht zou plaatsvinden van stoffen genoemd in lijst 1 van de Opiumwet. Wij besloten om de directe omgeving post te vatten en gaven onze bevindingen door aan verbalisant [verbalisant 3] . Kort daarop zagen wij beide personen lopen in de richting van het parkeerterrein aan de Oosterbuurt. Ambtshalve was het ons bekend dat door de omwonenden van die straat veel overlast wordt ondervonden door personen die zich bezig houden of hebben gehouden met de koop en verkoop van stoffen genoemd in lijst 1 van de Opiumwet. Daarom hadden wij het vermoeden dat daar een overdracht van genoemde stoffen zou plaatsvinden. Wij vatten post op het parkeerterrein en herkenden de manspersoon die in het gezelschap van [betrokkene 1] was als de ons ambtshalve bekende [betrokkene 2] eveneens een harddruggebruiker. Wij zagen een personenauto, merk Audi, type A3 kleur zwart en voorzien van kenteken [kenteken] het genoemde parkeerterrein oprijden. Wij zagen dat [betrokkene 2] bij het zien van dit voertuig meteen in de richting hiervan begon te lopen. Wij zagen dat [betrokkene 2] , aangekomen bij het genoemde voertuig, plaatsnam op de passagiersstoel. Wij hadden een redelijk vermoeden dat er op dat moment een overdracht van genoemde stoffen zou plaatsvinden. Wij zijn naar het voertuig toegelopen teneinde de beide inzittenden aan een controle op de overtreding van de Opiumwet te onderwerpen. Na ons gelegitimeerd te hebben, trokken wij de portieren van het genoemde voertuig open. Daarbij zagen we dat de bestuurster van het voertuig de ons ambtshalve bekende [verdachte] betrof. Ik, [verbalisant 2] , zag dat [verdachte] twee boterhamzakjes in haar handen hield. Ik zag dat in deze zakjes bolletjes zaten. Zij liet de zakjes vallen. Ik, [verbalisant 1] , zag deze boterhamzakjes nu ook. Wij zagen dat het ene zakje bruine bolletjes bevatte en het andere witte bolletjes. Ambtshalve herkenden wij de inhoud van die zakjes als zijnde vermoedelijk verpakte heroïne en cocaïne. Hierop hielden wij [verdachte] en [betrokkene 2] aan op verdenking van het overtreden van de Opiumwet. Op het moment dat [betrokkene 2] door mij, [verbalisant 1] uit de auto werd gehaald, zag ik een tweetal bruine bolletjes, vermoedelijk verpakte heroïne op de passagiersstoel vallen. Daarom had ik een redelijk vermoeden dat hij deze bolletjes zojuist van [verdachte] gekocht had. Tevens zag ik nabij de middenconsole een bundel samengevouwen eurobiljetjes liggen. Ik zag dat het biljetjes van 5 en 10 euro betrof. Ambtshalve was het mij bekend dat de drugs met kleine coupures betaald worden. Ik [verbalisant 2] , haalde [verdachte] uit de auto. Daarbij zag ik in de binnenzak van haar jas die zij los droeg, een bundel samengevouwen eurobiljetten zitten. Ik, [verbalisant 3] , was inmiddels ook ter plaatse gekomen. Ik zag dat [verdachte] in mijn bijzijn toestemming aan [verbalisant 2] gaf om het genoemde geld uit haar jaszak te pakken. Ik, [verbalisant 2] , heb direct dat geld in een sealbag gedaan en deze geseald. Verder zagen wij dat in de auto diverse biljetjes van 5 euro verspreid door de auto lagen. De door ons aangetroffen drugs en het genoemde geld werden na de aanhouding in beslag genomen.