Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.De conclusie van de procureur-generaal
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
14 december 2021.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 14 december 2021 een arrest gewezen waarin een aanvraag tot herziening werd behandeld van een veroordeling wegens feitelijk leiding geven aan oplichting. De aanvraag was gebaseerd op een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) waarin werd vastgesteld dat het recht op een eerlijk proces was geschonden doordat de aanvrager niet effectief getuigen kon ondervragen die belastende verklaringen hadden afgelegd.
De Hoge Raad overwoog dat herziening op grond van artikel 457 lid 1 sub b Sv Pro alleen mogelijk is indien een uitspraak van het EHRM een schending van het EVRM vaststelt en herziening noodzakelijk is voor rechtsherstel. In dit geval was de schending gelegen in het niet horen van zeven getuigen, wat het proces oneerlijk maakte.
De Hoge Raad verklaarde de aanvraag gegrond, schortte zonodig de tenuitvoerlegging van het eerdere arrest op en verwees de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor een nieuwe berechting. Het oordeel benadrukt dat rechtsherstel kan bestaan uit een nieuwe berechting, ongeacht of een andere uitkomst te verwachten is.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor nieuwe berechting.