Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
21 december 2021.
Hoge Raad
De verdachte werd in eerste aanleg bij verstek veroordeeld voor rijden zonder rijbewijs. Het vonnis werd op 10 maart 2020 aan hem betekend. De verdachte stelde het hoger beroep niet binnen de wettelijke termijn van veertien dagen in, maar pas op 26 maart 2020. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.
De verdachte voerde in cassatie aan dat hij het hoger beroep tijdig had ingesteld, verwijzend naar de datum van betekening. De Hoge Raad oordeelt dat op grond van artikel 408 van Pro het Wetboek van Strafvordering het hoger beroep binnen veertien dagen na de bekendmaking van het vonnis moet worden ingesteld. Uit de stukken blijkt dat de verdachte op 10 maart 2020 voldoende is geïnformeerd over de inhoud en gevolgen van het vonnis, zodat de termijn toen is gaan lopen.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen. Hiermee blijft de verstekveroordeling in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.