ECLI:NL:PHR:2026:306

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
24/02286
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 408 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens onduidelijke betekening vonnis

De verdachte werd bij verstek veroordeeld door de politierechter wegens bedreiging en zware mishandeling en stelde hoger beroep in. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingesteld, met als reden dat het vonnis op 18 oktober 2021 aan de verdachte in persoon zou zijn betekend.

De verdachte betwistte dat hij op die datum van het vonnis op de hoogte was en verklaarde dat hem een boete was uitgereikt. De akte van uitreiking vermeldde het parketnummer van de strafzaak, maar niet welk stuk daadwerkelijk was uitgereikt. Het hof baseerde zich op de akte en concludeerde dat betekening had plaatsgevonden, waardoor de termijn voor hoger beroep was verstreken.

De Hoge Raad oordeelt echter dat de enkele vermelding van het parketnummer op de akte onvoldoende is om aan te nemen dat het vonnis daadwerkelijk is betekend. Ook de aanwezigheid van latere pogingen tot betekening wijst op onduidelijkheid. Daarom is het oordeel van het hof niet begrijpelijk en wordt het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

De conclusie van de advocaat-generaal strekt tot vernietiging van het arrest en terugwijzing naar het hof 's-Hertogenbosch. Er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging aangetroffen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling wegens onduidelijke betekening van het vonnis.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02286
Zitting31 maart 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 6 juni 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 mei 2020 met parketnummer 02-039395-20. In dat vonnis is de verdachte wegens “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaat C.J.M. Jansen heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel bevat de klacht dat het hof de verdachte ten onrechte, althans op onjuiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 mei 2024 houdt, voor zover relevant, het volgende in:
“De voorzitter deelt het volgende mede:
Op 28 november 2023 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. In het dossier is een akte van uitreiking van 18 oktober 2021 aanwezig met vermelding van het parketnummer 02-039395-20. De datum van uitreiking is gelegen na de vonnisdatum van 26 mei 2020. De verdachte was ten tijde van de uitreiking op het politiebureau te Breda vanwege een andere straf.
De raadsman reageert als volgt:
De akte is opgemaakt op het politiebureau [...] te Breda. Niet is te zien wat aan mijn cliënt is uitgereikt. Mijn cliënt zegt dat hij niet op de hoogte was van het vonnis. Het zou een uitreiking kunnen zijn geweest voor de zitting die al heeft plaatsgevonden. Door het Openbaar Ministerie wordt een akte opgemaakt, maar wat er is uitgereikt staat er niet op. Mijn cliënt was op het politiebureau aanwezig en moest op dat moment nog een oude straf van 10 dagen uitzitten. Uit de akte van uitreiking volgt dat op het politiebureau [...] iets is uitgereikt maar niet is te zien wat daadwerkelijk is uitgereikt. De verdediging gaat ervan uit dat op 18 oktober 2021 geen betekening van het vonnis van 26 mei 2020 is gedaan.
Op de vraag van de voorzitter of hetgeen op 18 oktober 2021 is uitgereikt betrekking heeft op een andere zitting dan die van 26 mei 2020, deel ik u mede dat ik het hof verzoek de onderhavige zaak aan te houden om nader te onderzoeken en te bezien wat op 18 oktober 2021 aan de verdachte is uitgereikt.
[…]
De verdachte verklaart als volgt:
Aan mij is iets uitgereikt en dat had betrekking op een boete die ik nog moest betalen. U, voorzitter, houdt mij voor dat het op de akte van uitreiking vermelde parketnummer, 02-039395-20, de zaak betreft die vandaag in hoger beroep aan de orde is.
De verdachte verklaart verder:
Het ging om een openstaande boete van ongeveer € 500,00. Ik was op het politiebureau in verband met een andere boete die ik niet kon betalen. Daarvoor kreeg ik vervangende hechtenis en die zat ik op dat moment op het politiebureau uit.
[...]
De advocaat-generaal geeft te kennen:
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep is het standpunt van het Openbaar Ministerie als volgt. Het op de akte van uitreiking vermelde parketnummer is een duidelijke aanwijzing dat het om het betreffende vonnis van de politierechter zou gaan. Als het dat vonnis niet is geweest dan is de vraag wat er wel aan de verdachte is betekend op het politiebureau. Het is een lastig verhaal. Het noteren van een parketnummer gaat niet altijd goed. Daarom heb ik twijfels en geef ik de verdachte het voordeel van de twijfel. In theorie zou het iets anders kunnen zijn en is het mogelijk dat een verkeerd parketnummer op de akte van uitreiking is genoteerd.
[…]
De raadsman antwoordt als volgt:
Er is een handgeschreven akte ingevuld. Op het bureau is iets gedaan. Het waarom, of wat dat is, blijkt nergens uit. Het zou kunnen zijn dat in de computer is gekeken en dat de verbalisant dit parketnummer heeft gepakt. Het zou ook nog iets kunnen zijn dat niet op het strafblad staat vermeld. Het punt blijft dat onbekend is wat er daadwerkelijk is uitgereikt.
[…]
De advocaat-generaal:
Zeer waarschijnlijk is het vonnis aan de verdachte betekend. Het hof heeft mijn twijfel gehoord. Het betreft een lastige kwestie. Het is een formeel punt dat op de akte niet staat wat daadwerkelijk aan de verdachte is uitgereikt.”
2.3
Het hof heeft in zijn arrest over de ontvankelijkheid van het hoger beroep het volgende overwogen:

Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Met betrekking tot de vraag of de verdachte ontvankelijk is in het hoger beroep overweegt het hof het volgende.
De inleidende dagvaarding voor de zitting van de politierechter van 26 mei 2020 is niet in persoon uitgereikt. De politierechter heeft op 26 mei 2020 bij verstek vonnis gewezen.
Op 28 november 2023 is namens de verdachte tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Ingevolge art. 408, tweede lid, Sv kan de verdachte binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, hoger beroep instellen tegen het vonnis van de rechtbank.
In het dossier bevindt zich een akte van uitreiking aan de verdachte in persoon d.d. 18 oktober 2021 met vermelding van parketnummer 02-039395-20. De verdachte heeft deze akte ondertekend en op de akte is als adres voor terugzending vermeld het arrondissementparket te Breda.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op het politiebureau [...] te Breda aanwezig was in verband met de vereffening van een openstaande straf/geldboete en dat hetgeen die dag op het politiebureau aan hem in persoon is uitgereikt betrekking had op een (openstaande) geldboete of schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van circa € 500,00. Uit het de verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 maart 2024 volgt dat de verdachte van 18 oktober 2021 t/m 28 oktober 2021 een gevangenisstraf heeft uitgezeten in verband met een opgelegde schadevergoedingsmaatregel inzake parketnummer 01-074205-15. Het hof leidt hieruit af dat het deze zaak was waarvoor de verdachte op 18 oktober 2021 op het politiebureau aanwezig was.
Er blijkt niet van een ander vonnis, of opgelegde openstaande straf, die aan de verdachte in persoon uitgereikt diende te worden op 18 oktober 2021. Deze vonnissen waren immers reeds allemaal onherroepelijk. Het hof merkt daarbij op dat kennisgevingen van boetes en schadevergoedingsmaatregelen via het CJIB gaan en niet uitgereikt worden op het politiebureau.
Er zijn in het dossier nog een aantal akten opgenomen waaruit kan worden afgeleid dat gepoogd is de mondelinge uitspraak aan de verdachte uit te reiken, maar deze hebben geen effect gesorteerd. Noch in het dossier, noch op andere wijze is gebleken van een akte waaruit zou volgen dat het vonnis op een ander moment dan op 18 oktober 2021 aan de verdachte in persoon zou zijn uitgereikt. Het hof stelt op grond hiervan dus vast dat betekening van het vonnis op 18 oktober 2021 heeft plaats gevonden.
Het verzoek van de raadsman om de behandeling van de zaak aan te houden teneinde te onderzoeken wat aan de verdachte op 18 oktober 2021 is uitgereikt, wordt gelet hierop afgewezen.
Nu het hoger beroep eerst op 28 november 2023, dus na het verstrijken van genoemde termijn, is ingesteld en niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verontschuldigbaar moet worden geacht, is het hoger beroep te laat ingesteld en dient de verdachte in het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.”
2.4
Tot de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding behoren onder meer:
(i) de dagvaarding van de verdachte om op 26 mei 2020 om 16:00 te verschijnen voor de politierechter in Breda, welke dagvaarding blijkens de bijbehorende akte van uitreiking van 24 februari 2020 niet in persoon is uitgereikt, omdat de woon- of verblijfplaats van de verdachte niet bekend was;
(ii) de aantekening mondeling vonnis van 26 mei 2020 van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, waaruit blijkt dat de verdachte bij verstek is veroordeeld;
(iii) een achttal brieven ‘Mededeling Uitspraak’ met als data 10 juni 2020 (2x), 11 juni 2020, 11 juni 2021, 16 juni 2022, 12 april 2023, 18 april 2023 en 1 november 2023, afkomstig van het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant. Al deze mededelingen noemen als parketnummer 02-039395-20 en hebben – ook gelet op de verdere inhoud – steeds betrekking op het vonnis van de politierechter van 26 mei 2020;
(iv) een viertal aktes van uitreiking, gericht aan de verdachte, met als invuldata 12 juni 2020, 14 juni 2020, 10 juni 2022 en 12 april 2023. Op deze aktes is als briefsoort steeds “Mededeling Uitspraak” vermeld, met als parketnummer 02-039395-20. Bij zitting staat “26 mei 2020” en bij forum “politierechter”. Het vakje “De woon- of verblijfplaats van de geadresseerde is niet bekend” is steeds aangekruist, net als het vakje “Ik heb de brief uitgereikt aan de medewerker van het Openbaar Ministerie”. Aan de meest recente aktes (van 10 juni 2022 en 12 april 2023 is een ID-staat gehecht waaruit blijkt dat de verdachte geen BRP-adres heeft en er ook geen laatst opgegeven woon- of verblijfplaats bekend is;
(v) een met de hand ingevulde “akte van uitreiking”, waarop staat vermeld “Datum: 18-10-“21 omstreeks: 18:50 uur”. Op de akte staat de naam van de uitreikende verbalisant/inrichtingsmedewerker. De akte vermeldt verder:
“Uitgereikt aan
naam: [verdachte]
voornaam: [...]
geboortedatum: [geboortedatum] 1979
geboorteplaats: [geboorteplaats]
adres: ZVWOVP
woonplaats: ZVWOVP
parketnummer: 02-039395-20
Aldus op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt
De verbalisant/inrichtingsmedewerker De betrokkene
[handtekening] [handtekening]
(handtekening) (handtekening)”
(vi) een akte instellen hoger beroep, die inhoudt dat op 28 november 2023 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 mei 2020.
2.5
Het middel richt zich tegen de vaststelling van het hof dat het vonnis van de politierechter op 18 oktober 2021 aan de verdachte in persoon is uitgereikt. Volgens de steller van het middel blijkt uit de hiervoor onder (v) door mij beschreven akte van uitreiking niet wat er op die datum is uitgereikt aan de verdachte.
2.6
Art. 408 Sv Pro luidt – voor zover van belang – als volgt:
“1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;
[...]
2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.”
2.7
Het hof heeft overwogen dat de dagvaarding in eerste aanleg niet in persoon is betekend en dat de verdachte in eerste aanleg bij verstek is veroordeeld en kennelijk aangenomen dat zich ook geen andere omstandigheid voordoet waaruit blijkt dat de verdachte op de hoogte was van de dag van de terechtzitting, zodat geen sprake is van een van de in art. 408 lid 1 Sv Pro bedoelde situaties. Het hof heeft vooropgesteld dat de verdachte op grond van art. 408 lid 2 Sv Pro hoger beroep moest instellen binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is. Uit de hiervoor onder 2.3 geciteerde overweging van het hof blijkt dat zo’n omstandigheid zich volgens het hof op 18 oktober 2021 heeft voorgedaan. Het hof wijst in dat verband op de akte van uitreiking van 18 oktober 2021 met vermelding van parketnummer 02-039395-20. Omdat de verdachte heeft verklaard dat hij op die datum inderdaad op het politiebureau was en niet blijkt dat toen ook een ander vonnis of openstaande straf nog aan de verdachte moest worden uitgereikt, stelt het hof vast dat de betekening van het vonnis van de politierechter van 26 mei 2020 op 18 oktober 2021 heeft plaatsgevonden. Nu zich daarmee een omstandigheid als bedoeld in art. 408 lid 2 Sv Pro heeft voorgedaan, is het op 28 november 2023 ingestelde hoger beroep naar het oordeel van het hof te laat ingesteld.
2.8
Volgens de Hoge Raad is van een omstandigheid als bedoeld in art. 408 lid 2 Sv Pro sprake als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en). [1] De enkele vermelding van het (juiste) parketnummer op een akte van uitreiking die is geadresseerd aan de verdachte, terwijl daarop niet wordt vermeld welk stuk is uitgereikt en dat stuk evenmin aan de akte is gehecht, is onvoldoende grond om aan te nemen dat aan de verdachte een “mededeling uitspraak” is uitgereikt. [2]
2.9
In het licht van het voorgaande slaagt de klacht over de vaststelling van het hof dat de betekening van het vonnis op 18 oktober 2021 heeft plaatsgevonden. Uit de bijbehorende akte van uitreiking (zie hiervoor onder (v)) kan immers niet worden afgeleid of de akte van uitreiking betrekking heeft op een mededeling van het vonnis van de politierechter van 26 mei 2020. Dat het hof heeft overwogen dat op die datum geen ander vonnis of openstaande straf aan de verdachte moest worden uitgereikt, doet daar niet aan af. Bovendien kan die door het hof genoemde aanwijzing dat op 18 oktober 2021 het vonnis van 26 mei 2020 is uitgereikt worden weggestreept tegen aanwijzingen voor het tegendeel daarvan, zoals die volgen uit de hiervoor onder (iii) en (iv) genoemde stukken die zich in het dossier bevinden. Daaruit volgt immers dat er ook na 18 oktober 2021 kennelijk nog pogingen zijn ondernomen om de uitspraak van de politierechter aan de verdachte te betekenen.
2.1
Het oordeel dat de verdachte op 18 oktober 2021 bekend is geworden met het vonnis en dat het op 28 november 2023 ingestelde hoger beroep daarom te laat is ingesteld, is niet begrijpelijk.

3.Slotsom

3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940, rov. 2.3, zoals recentelijk herhaald in bijvoorbeeld HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1933, rov. 2.4.1 en HR 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:813, rov. 2.4.
2.HR 16 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:596, rov. 2.3. Zie ook HR 10 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1934, rov. 2.2., waarin wordt verwezen naar de conclusie van A-G Aben ECLI:NL:PHR:2019:1296, onder 5 tot en met 10.