Conclusie
1.Inleiding
2.Het middel
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd bij verstek veroordeeld door de politierechter wegens bedreiging en zware mishandeling en stelde hoger beroep in. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingesteld, met als reden dat het vonnis op 18 oktober 2021 aan de verdachte in persoon zou zijn betekend.
De verdachte betwistte dat hij op die datum van het vonnis op de hoogte was en verklaarde dat hem een boete was uitgereikt. De akte van uitreiking vermeldde het parketnummer van de strafzaak, maar niet welk stuk daadwerkelijk was uitgereikt. Het hof baseerde zich op de akte en concludeerde dat betekening had plaatsgevonden, waardoor de termijn voor hoger beroep was verstreken.
De Hoge Raad oordeelt echter dat de enkele vermelding van het parketnummer op de akte onvoldoende is om aan te nemen dat het vonnis daadwerkelijk is betekend. Ook de aanwezigheid van latere pogingen tot betekening wijst op onduidelijkheid. Daarom is het oordeel van het hof niet begrijpelijk en wordt het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde behandeling.
De conclusie van de advocaat-generaal strekt tot vernietiging van het arrest en terugwijzing naar het hof 's-Hertogenbosch. Er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging aangetroffen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling wegens onduidelijke betekening van het vonnis.