Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
16 februari 2021.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van gekwalificeerde doodslag en kreeg een gevangenisstraf van tien jaar opgelegd, gecombineerd met TBS met dwangverpleging. De verdediging voerde in cassatie aan dat het hof de TBS-maatregel niet had mogen opleggen zonder dat zij zich daarover ter terechtzitting had kunnen uitlaten. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende had gemotiveerd waarom TBS naast de gevangenisstraf was opgelegd, en dat dit niet in strijd was met artikel 6 EVRM Pro.
Het hof baseerde zich op een Pro Justitia rapport van het Pieter Baan Centrum waarin sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte, met onder meer cognitieve beperkingen, antisociale persoonlijkheidskenmerken en ADHD-indicaties. Gezien het recidivegevaar en de ernst van het delict achtte het hof TBS noodzakelijk ter bescherming van de maatschappij.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest slechts voor zover het ging om de toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel en bepaalde dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast. Tevens werd de gevangenisstraf verminderd van tien jaar naar negen jaar en negen maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen.
Deze uitspraak bevestigt dat een hof TBS kan opleggen zonder dat partijen zich daar ter terechtzitting over hebben uitgelaten, mits de motivering toereikend is en de voorwaarden van de wet zijn vervuld. Ook benadrukt het arrest het belang van de redelijke termijn in strafzaken.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot negen jaar en negen maanden en TBS met dwangverpleging werd bevestigd.