Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, tweede, derde en vierde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
4.Beslissing
2 maart 2021.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van vrijheidsberoving met zwaar lichamelijk letsel, medeplegen van poging tot doodslag en medeplegen van zware mishandeling.
De advocaat-generaal adviseerde vernietiging van het hofarrest alleen met betrekking tot de strafduur, met vermindering van de gevangenisstraf volgens de gebruikelijke maatstaven, en verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de inhoud van het hofarrest niet tot vernietiging konden leiden en hoefde deze niet inhoudelijk te motiveren.
Wel oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep plaatsvond, terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef.
Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negen jaar naar acht jaar en zeven maanden. Het arrest van het hof werd vernietigd voor zover het de strafduur betrof en het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van negen jaar naar acht jaar en zeven maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.