Conclusie
Zaak A
V. Bespreking van de middelen
Het eerste middel: verdachte niet een van de inzittenden van de auto (Audi)
Verweer ten aanzien van de bewijskracht van de resultaten van het vergelijkend glasonderzoek
Gelet op het voorgaande gaat het hof dan ook aan deze stellingen van de verdediging voorbij.
5.3 Oordeel van het hof
Samenvattend komt het hof tot het oordeel, dat het door de verdachte geschetste alternatieve scenario van zijn betrokkenheid bij de tenlastegelegde gebeurtenissen in de Staatsliedenbuurt geenszins aannemelijk is geworden. Het hof zal hieraan dus voorbij gaan. [p. 25-27]
[…]
Overwegingen van het hof
De vraag in welke zin de omstandigheid dat de Colt is aangetroffen in de onmiddellijke nabijheid van de in de Staatsliedenbuurt gebruikte AK47 en Glock, een rol speelt bij de weging en waardering van de bewijsmiddelen zal in de bewijsoverwegingen verder worden besproken. [p. 27-29]
Hoofdstuk 7 - Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Aangetroffen forensisch materiaal (DNA en glas)
Aantreffen vuurwapens langs de vluchtroute
Samenvattende conclusie
Het tweede middel: bewezenverklaring feit A onder 1 primair en feit A onder 2 primair (medeplegen)
tweede middelklaagt dat de in zaak A onder 1 (medeplegen moord, meermalen gepleegd) en 2 (medeplegen poging moord) bewezenverklaarde feiten niet uit de bewijsvoering kunnen volgen. Het middel behelst zowel de klacht dat niet zonder meer blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met de anderen, dan wel tussen de twee dadergroepen, als de klacht dat uit de wijze van uitvoering niet kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een intensieve voorbereiding om met voorbedachte raad [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [betrokkene 1] om het leven te brengen, zodat de bewezenverklaringen van zaak A onder 1 en 2 onvoldoende met redenen zijn omkleed.
Medeplegen en voorbedachte raad
Het derde middel: bewezenverklaring feit A onder 3 subsidiair (medeplegen)
derde middelklaagt dat de bewezenverklaring van het medeplegen van de poging tot gekwalificeerde doodslag op de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet uit de bewijsvoering kan volgen omdat het hof “niet heeft vastgesteld wat de concrete bijdrage van voldoende gewicht is geweest die maakt dat de verdachte als medepleger van de feiten kan worden aangemerkt”.
Hoofdstuk 3 – Vaststaande feiten en omstandigheden
oogmerkom de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren. Voor deze gekwalificeerde doodslag kan evenwel ook veroordeeld worden degene die zelf het, in de delictsomschrijving genoemde, bijkomend oogmerk niet had. De medepleger die voorwaardelijk opzet heeft op de doodslag door de pleger, dus door degene met wie hij de daaraan voorafgaande delicten heeft gepleegd en met wie hij op de vlucht is geslagen, maakt zich schuldig aan gekwalificeerde doodslag. [19] Het voorwaardelijk opzet op dit gevolg impliceert dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat de pleger die derde persoon zou doden zodat zij ongehinderd zouden kunnen ontkomen. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip "aanmerkelijke kans" afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder 'de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans' dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met deze maatstaf is geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak gebruikte formulering 'de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans'. [20]
Het vierde middel: de levenslange strafoplegging
vierde middelklaagt dat het hof aan de verdachte een levenslange gevangenisstraf heeft opgelegd, terwijl oplegging van de levenslange gevangenisstraf, gelet op de huidige wijze van tenuitvoerlegging, een schending van art. 3 EVRM Pro oplevert, zodat de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed.
Het hof heeft op basis van het dossier en de vele terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep slechts beperkt zicht gekregen op de kennelijke criminele achtergronden en motieven die aan de schietincidenten in de Staatsliedenbuurt ten grondslag hebben gelegen. De verdachten en [betrokkene 1] hebben hierover niets willen prijsgeven en ook getuigen hebben hieromtrent verder geen klaarheid willen of kunnen verschaffen. Het hof heeft zich daarbij niet aan de indruk kunnen onttrekken dat angst voor represailles tal van getuigen heeft weerhouden nader te verklaren.
Ook [betrokkene 1], die maar ternauwernood aan het vuurwapengeweld heeft kunnen ontsnappen, heeft in zijn schriftelijke slachtofferverklaring aangegeven dat de gebeurtenissen grote impact hebben gehad.
NJ2009/602, m.nt. Mevis tot het oordeel dat uit het arrest van EHRM in de zaak Kafkaris/Cyprus van 12 februari 2008, appl. nr. 21906/04, ECLI:NL:XX:2008:BC8753,
NJ2009/90, m.nt. Schalken volgt dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf aan meerderjarige verdachten op zichzelf niet onverenigbaar is met art. 3 EVRM Pro en evenmin met enige andere bepaling van dat verdrag. Dat zou in het bijzonder in het licht van de in art. 3 EVRM Pro vervatte waarborg anders kunnen zijn indien die straf als "irreducible" moet worden beschouwd. Een factor die daarbij in aanmerking moet worden genomen is of in het nationale recht is voorzien in de mogelijkheid om de duur van die straf te verkorten. De verdachte aan wie de straf wordt opgelegd mag niet ieder perspectief op vrijlating worden onthouden. Het enkele feit dat de duur van de straf in een concreet geval ook de facto levenslang is, brengt echter niet mee dat de straf in dat geval als "irreducible" heeft te gelden en met art. 3 EVRM Pro niet zou zijn te verenigen. De Hoge Raad wees er op, evenals hij dat al eerder deed in zijn arrest van 9 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1464,
NJ1999/435, dat aan de veroordeelde, ook na oplegging van een levenslange gevangenisstraf, gratie kan worden verleend, terwijl deze voorts het oordeel van de burgerlijke rechter kan inroepen omtrent de rechtmatigheid van de (verdere) tenuitvoerlegging van die straf. Gratie kon inderdaad worden verleend, maar wil die mogelijkheid in overeenstemming zijn met het bepaalde in art. 3 EVRM Pro, dan moet zij niet alleen op papier (de iure) maar ook feitelijk (de facto) bestaan. Anders zou toch nog het standpunt kunnen worden ingenomen dat deze mogelijkheid in feite illusoir is. Het is dan ook begrijpelijk dat de Hoge Raad zijn overwegingen in zijn arrest van 16 juni 2009 afsloot met de toevoeging dat indien zou komen vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf in feite nimmer wordt verkort, dat van betekenis kan zijn bij de beantwoording van de vraag of oplegging van een levenslange gevangenisstraf dan wel verdere voortzetting van een dergelijke straf zich verdraagt met de uit art. 3 EVRM Pro voortvloeiende eisen, zoals die door het EHRM in het arrest Kafkaris/Cyprus nader waren omlijnd.
NJ2016/348, m.nt. Kooijmans heeft de Hoge Raad met verwijzing naar uitspraken van het EHRM en eerdere arresten van de Hoge Raad het juridisch kader nog eens uiteengezet. Naar aanleiding daarvan stelde de Hoge Raad bij de bespreking van het cassatiemiddel wederom voorop dat de levenslange gevangenisstraf op zichzelf beschouwd niet in strijd is met het bepaalde in art. 3 EVRM Pro, ook niet indien deze gevangenisstraf ten volle wordt geëxecuteerd. Uit het door hem weergegeven juridische kader volgt volgens de Hoge Raad evenwel dat een levenslange gevangenisstraf niet kan worden opgelegd indien niet reeds ten tijde van de oplegging duidelijk is dat er na verloop van tijd een reële mogelijkheid tot herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf bestaat, die in de daarvoor in aanmerking komende gevallen kan leiden tot verkorting van de straf of (voorwaardelijke) invrijheidstelling. Een en ander betekent overigens niet dat het bieden van een mogelijkheid tot herbeoordeling van de straf impliceert dat die herbeoordeling steeds zal leiden tot verkorting van de straf. Herbeoordeling kan immers ook ertoe leiden dat voor verkorting geen grond aanwezig wordt bevonden. De mogelijkheid tot herbeoordeling van de opgelegde levenslange gevangenisstraf dient, aldus de Hoge Raad, aan diverse voorwaarden te voldoen. Zo moet bij de herbeoordeling informatie worden betrokken betreffende de ontwikkelingen met betrekking tot de persoon van de veroordeelde alsmede de geboden mogelijkheden van resocialisatie. Ook dient het voor de veroordeelde reeds ten tijde van de oplegging van de levenslange gevangenisstraf in voldoende mate duidelijk te zijn welke objectieve criteria zullen worden aangelegd bij de herbeoordeling, zodat hij weet aan welke vereisten zal moeten worden voldaan, wil hij – op termijn – voor verkorting van de straf of (voorwaardelijke) invrijheidsstelling in aanmerking komen. En met het oog op het bieden van een reële mogelijkheid tot herbeoordeling is het van belang dat de veroordeelde zich tijdens de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf – ook voordat de vorengenoemde herbeoordeling plaatsvindt – moet kunnen voorbereiden op een eventuele terugkeer in de samenleving en dat in verband daarmee binnen het kader van de tenuitvoerlegging mogelijkheden tot resocialisatie moeten worden geboden.
NJ 2019/326, m.nt. Van Kempen – in een regeling ter zake van de advisering en de besluitvorming omtrent het aanbieden van zogeheten re-integratieactiviteiten aan levenslanggestraften, mede met het oog op eventuele gratieverlening. De introductie van het nieuwe wettelijke stelsel in het kader van de levenslange gevangenisstraf brengt de Hoge Raad tot de volgende conclusie:
NJ2021/43, m.nt. Jörg heeft ook de civiele kamer van de Hoge Raad zich over de kwestie gebogen, en meer specifiek over de beoordelingsruimte van de Kroon c.q. de minister na een advies van het gerecht omtrent gratieverlening in een concreet geval. Dit arrest houdt onder meer het volgende in (ook hier zijn de voetnoten door mij weggelaten):
“Aan rechterlijke adviezen in gratiezaken pleegt een zeer groot gewicht te worden toegekend. (…) Doorslaggevend in de zin van de Kroon of Minister bindend, zijn zij niet, dan zou immers niet van een advies gesproken kunnen worden. Als al wordt afgeweken van het rechterlijke advies dan is dat doorgaans in een voor de justitiabele gunstige zin. Slechts hoogst zelden vindt afwijking van het advies in voor de justitiabele ongunstige zin plaats.”
3.5.3
3.5.5
3.5.6
Indien de burgerlijke rechter tot het oordeel komt dat de negatieve beslissing omtrent de verlening van gratie onrechtmatig is omdat de opgegeven redenen deze beslissing niet kunnen dragen, kan de burgerlijke rechter de Staat veroordelen tot het nemen van een nieuwe beslissing op het gratieverzoek. Bij het nemen van die nieuwe beslissing zal acht dienen te worden geslagen op de overwegingen die de burgerlijke rechter aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. Dat betekent dat, indien de nieuwe beslissing wederom strekt tot afwijzing van het gratieverzoek, die afwijzing niet uitsluitend mag worden gebaseerd op dezelfde redenen als waarop de bestreden gratiebeslissing berust.
3.5.7