Conclusie
De gepleegde strafbare feiten
het hof begrijpt: de VW Golf met kenteken [kenteken 1] van de aangever)
.Ik stapte in aan de passagierszijde en [betrokkene 1] aan de bestuurderszijde. [betrokkene 1] rijdt graag en mag daarom ook rijden als ik in de auto zit. Toen we weg wilden rijden, zagen we vanuit de achteruitrijcamera dat er een auto achter ons reed. De auto bleef stil staan en ik kon zien dat er drie gemaskerde mannen uit deze auto stapten. De mannen kwamen bij de auto staan en ik zag dat ze een pistool op mij richtten. Ze probeerden het raam kapot te maken, maar dat lukte niet. Degene die het pistool op mij gericht had, sloeg nog drie/vier keer tegen het raam, maar dat lukte niet. Hierop zag ik dat hij een beweging naar achter maakte met de bovenkant van het pistool en dat hij naar achter stapte en schoot. Hij schoot dus zo het raam kapot waarbij hij zei: “uitstappen, uitstappen”. Ik maakte mijn gordel los en deed mijn deur open. Op het moment dat ik uitstapte, sloeg hij mij met het pistool op mijn hoofd.
het hof begrijpt: van de door de daders gebruikte auto) en stapte daar op de achterbank in. Er stapte nog iemand naast mij in. We reden weg en NN1 deed zijn hand op mijn gezicht, op mijn ogen. Hierop pakte NN 1 iets en deed een soort van skibril over mijn ogen, hierdoor kon ik niets meer zien. Daarna deed NN1 nog iets over mijn hoofd: een soort van zak. Ik kreeg tie-wraps om mijn handen. Op een gegeven moment zei NN1 dat ik moest meewerken en dat ik laag moest blijven. We gingen ergens naar binnen en ik moest een trap op. Ik viel op de trap. Ze riepen toen dat ik moest meewerken en kreeg ik een paar trappen. Toen we naar binnen gingen, moest ik meteen op mijn buik op de grond gaan liggen. Op de grond lag er iets van een plastic zeil, dat het geluid maakte als een boterham- zakje. Mijn schoenen en broek werden uitgedaan. Ik moest mij omdraaien op mijn rug en ze maakten mijn tie-wraps los en kleedden mij verder uit. Ik had alleen nog een onderbroek aan. Ik moest op mijn buik gaan liggen, waarop mijn handen weer vastgemaakt werden met tie-wraps. Ze liepen steeds van mij weg maar ik hoorde ze wel steeds heel zacht praten. Toen zei NN1: “He, luister het is aan jou hoe dit gaat aflopen. We weten alles van jou, je vrouw en kinderen. Je zoon die zit op de [c-straat] toch. Ik volg je al een tijdje. Het is aan jou hoe dit gaat aflopen. Als je straks je kind naast je ziet liggen .... het is aan jou hoe dit gaat aflopen.” NN1 had het specifiek over die kleine van mij. NN1 draaide me toen op mijn rug en propte iets van piepschuim in mijn mond en dit werd getapet met plakband. Hierop zei NN1: “Luister het is aan jou hoe dit afloopt. Je gaat binnen een uur een miljoen regelen”. Nadat ik probeerde antwoord te geven, wat niet lukte door het piepschuim in mijn mond, heeft hij de tape om mijn mond wat losser gemaakt en kon ik zeggen dat ik niet wist hoe ik een miljoen moest regelen. Hierop reageerde NN1 dat hij alles van mij wist en dat ik niet zo stom moest doen. NN1 zei ook dat hij mijn kind had en dat anders deze naast mij zou komen te liggen. Ik moest mij weer omdraaien op mijn buik. NN1 zei: “Dus je ziet het als een spelletje”. Hierop kreeg ik een paar klappen met de hand en met het wapen. Ik hoorde dat ze in en uit het huis liepen. Ik hoorde de deur. Ik hoorde in het trappenhuis kinderen en een vrouw. Ik hoorde dat ze op iets van glas, waarschijnlijk een tafel, blikjes en glazen zetten. Ik heb thuis ook een glazen tafel en het klonk net zo. Ook hoorde ik een radio of tv zachtjes aanstaan. Toen voelde ik dat ze nog een tie-wrap aan me vast maakten. Ik voelde dat NN1 mijn linkerhand pakte en dat hij mijn hand tussen iets stopte. Ik dacht toen, ze gaan mijn vinger er afknippen en ik hoorde toen pats. Ook hoorde ik bloed vallen op het plastic waarop ik lag en toen had ik door dat ze mijn pink eraf hadden gesneden. NN1 zei: “Deze gaan we opsturen naar je vrouw en je hebt nu nog een halfuur om een miljoen te regelen”. Als ik het goed hoorde, was op het moment dat mijn pink eraf ging nog iemand in dezelfde ruimte. Ik hoorde iemand een geluid maken. Ook heeft NN1 gezegd dat ze elk uur iets van mij gingen knippen en dat opsturen naar mijn vriendin.
het hof begrijpt: [plaats]):
het hof begrijpt: het schrift en de agenda van de verdachte, aangetroffen bij de doorzoeking van [a-straat 1] te [plaats] op 10 maart 2017). Daarin staan volgens ons aanwijzingen dat de daders jou gevolgd en geobserveerd hebben voorafgaand aan de daadwerkelijke ontvoering. Wij laten jou een schrift zien met daarin de bedoelde passages; wil jij aangeven of jou de getoonde passages iets zeggen?
het hof begrijpt: aan de [d-straat 6] te [plaats]). Wat hierbij opviel waren de gordijnen welke voor de ramen hingen in de grote slaapkamer. De gordijnen in de woning vertonen grote gelijkenis met het stuk gordijnstof dat werd aangetroffen in een witte tas welke afkomstig was uit de Peugeot [kenteken 3].
het hof begrijpt: de door een getuige op 6 maart 2017 in de [d-straat] te [plaats] gemaakte foto): De laatste jongen op die foto is [verdachte] . Ik ken hem. Ik denk dat de middelste man [betrokkene 3] is.
het hof begrijpt: op 9 maart 2017) voordat het ging gebeuren sprak ik [betrokkene 3]. [betrokkene 3] belde mij in de middag op mijn werk of ik naar hem toe wilde komen bij de [e-straat]. Het kan ook een paar dagen eerder zijn. [betrokkene 3] zei dat hij nog geld moest krijgen van het slachtoffer.
het hof begrijpt: de door een getuige op 6 maart 2017 in de [d-straat] te [plaats] gemaakte foto) zijn betrokken bij de ontvoering.”
2. Feiten en omstandigheden waarvan het hof uitgaat bij zijn beoordeling
“Beoordeling van de bewijsvraag in het licht van de gevoerde verweren
1. De in hoger beroep gevoerde verweren
4. Schets door de verdachte van een alternatief scenario
5. Beoordeling van het geopperde alternatieve scenario en de gevoerde verweren
NJ2010/314, m.nt. Buruma heeft overwogen:
daaromniet met zekerheid aan de stem heeft kunnen vaststellen dat het hier dezelfde gebruiker betreft. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verbalisant en weegt uitdrukkelijk mee dat de verklaring van mededader [betrokkene 3] de bevindingen van de verbalisant ondersteunt. Voorts overweegt het hof – hetgeen evenmin onbegrijpelijk is – dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat een onbekende gebruiker van de telefoon om 18:38 uur toevallig dezelfde interesse zou hebben gehad voor een nieuwsbericht over de ontvoering van het slachtoffer, als de verdachte later die avond zelf heeft gehad op de tijdstippen van 21:45 uur en 23:27 uur.
4.Feit 2: medeplegen poging gekwalificeerde doodslag door schieten op autoruit in [plaats]
“Beoordeling van de bewijsvraag in het licht van de gevoerde verweren
1. De in hoger beroep gevoerde verweren
7. Medeplegen poging doodslag
8. Conclusie
NJ2014/502 was sprake van het ‘leeghalen’ van een hennepkwekerij. De verdachte en zijn mededaders waren daarvoor bij elkaar gekomen en hadden overleg gevoerd over hoe men te werk zou gaan, er werden taken verdeeld en er was gesproken over wat moest gebeuren als er mensen zouden worden aangetroffen op het terrein. Rekening was gehouden met de mogelijkheid dat ter plaatse iemand aanwezig kon zijn, zodat tie-rips, bivakmutsen, handschoenen en een flesje bedwelmende vloeistof werden meegenomen in een sporttas. De verdachte wist dat als daar personen werden aangetroffen, dezen zouden worden vastgebonden. De verdachte en zijn mededaders reden vervolgens met twee auto's naar de locatie en verdeelden zich na aankomst groepsgewijs over het terrein. Voorafgaand aan het vertrek had de verdachte gezien dat één van de anderen een vuurwapen bij zich had. Hij wist ook dat degenen die een vuurwapen bij zich hadden, in de andere auto gingen zitten. Op het terrein werd door een mededader op het slachtoffer geschoten; hij werd in zijn buik geraakt. De verdachte werd veroordeeld ter zake van poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, vergezeld van geweld of bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren. Het middel klaagde dat de bewezenverklaring ontoereikend was gemotiveerd, in het bijzonder wat betrof het opzet op het medeplegen van het na de poging tot diefstal toegepaste geweld. De Hoge Raad verwierp het middel en overwoog daartoe: “Blijkens de gebezigde bewijsvoering heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte voorafgaand aan de poging tot diefstal van de hennep wist van het mogelijk gebruik van geweld, onder meer doordat hij wist dat personen die werden aangetroffen, zouden worden vastgebonden en doordat de verdachte had gezien dat één van zijn mededaders een vuurwapen bij zich had waarvan hij dacht dat dit ter afschrikking zou worden gebruikt. Daaruit heeft het Hof kunnen afleiden dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het wapen bij de poging tot diefstal van de hennep zou worden gebruikt”.
NJ2011/470 had de verdachte met twee anderen een woninginbraak gepleegd waarbij zij door buurtbewoners werden overlopen. Tijdens hun vlucht had één van de daders een buurtbewoner bij de keel gegrepen en deze een duw gegeven en een andere dader had twee andere buurtbewoners bedreigd met een mes. De Hoge Raad oordeelde dat de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende waren om te kunnen aannemen dat de verdachte zich bewust was geweest van de aanmerkelijke kans dat door een ander geweld zou worden gebruikt. [23] Eveneens onvoldoende gemotiveerd was de bewezenverklaring van het opzet van de verdachte op het gebruik van een doorgeladen vuurwapen door de schutter in HR 18 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:281,
NJ2020/174, m.nt. Vellinga. Ook hier was de verdachte door het hof veroordeeld voor een poging tot doodslag tijdens een mislukte ripdeal, dan wel oplichting in het kader van een criminele transactie. Samen met de mededader (in de geanonimiseerde publicatie van het arrest betrokkene 1 genoemd) had de verdachte het plan bedacht om hennep te kopen met vals geld. Nadat de voorbereidingen met betrekking tot de stapeltjes echte bankbiljetten en valse bankbiljetten waren getroffen, reden zij naar het bewuste adres. De mededader had een vuurwapen meegenomen. De verdachte ging als eerste de woning binnen, waar zich op dat moment vijf mannen bevonden. Kort hierop voegde ook de mededader zich bij het gezelschap in de woning. Even later kreeg één van de verkopers in de gaten dat het niet klopte. Er ontstond ruzie. De bewuste verkoper pakte een wapen uit de kast, laadde dit wapen door en richtte het op de mededader. De verdachte en de mededader vluchtten met de tassen met daarin de hennep de woning uit, waarop de mededader een schot hoorde. De mededader schoot al vluchtende meermalen in de richting van de schietende achtervolger. De verdachte legde de tassen met hennep in zijn auto en verschool zich samen met de mededader daarachter. Vervolgens schoot de mededader andermaal, met zijn armen gestrekt over het dak van de auto, in de richting van de achterruit van de auto in het naastgelegen parkeervak waarachter de achtervolger zich verborg. De mededader had over dit moment verklaard dat “hij ging richten”. Hierop rende de verkoper weg, waarna de verdachte en de mededader in hun auto stapten en wegvluchtten. De verdachte gooide even later het gebruikte vuurwapen uit de auto. De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest en overwoog daartoe:
NJ2004/103. In die zaak was door het hof vastgesteld dat de verdachte en zijn drie mededaders het plan hadden opgevat om slachtoffer 1 van het leven te beroven. Zij waren op de late avond naar het snookercentrum gegaan waar het slachtoffer op dat moment was. Daar hadden zij gewacht tot het slachtoffer naar buiten kwam. Een van de mededaders had een geladen vuurwapen bij zich en de andere drie een mes. De verdachte en een mededader hadden aan beide kanten een zodanige positie ingenomen dat het slachtoffer niet kon vluchten. Toen slachtoffer 1 naar buiten kwam bleek hij in het gezelschap te zijn van een andere man (slachtoffer 2). Slachtoffer 1 stapte op de fiets en nam slachtoffer 2 achterop. Door de mededader is vervolgens eerst op slachtoffer 1 geschoten en daarna op slachtoffer 2. Slachtoffer 2 trachtte nog te vluchten, maar werd door een van de mededaders meermalen met een mes gestoken. De beide slachtoffers overleden ten gevolge van dit een en ander. De verdachte werd niet alleen veroordeeld voor ‘medeplegen van moord’ (slachtoffer 1), maar ook voor ‘medeplegen van doodslag’ (slachtoffer 2). Had de verdachte echter ook opzet op de levensberoving van slachtoffer 2? De Hoge Raad overwoog: “s Hofs klaarblijkelijke oordeel dat verdachtes opzet in elk geval in voorwaardelijke zin ook gericht was op de dood van [slachtoffer 2], is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de betrokkenen, die allen gewapend waren, genoemde [slachtoffer 1] bij een voor het publiek toegankelijk snookercentrum hebben opgewacht en dat de verdachte, toen [slachtoffer 1] in gezelschap van een ander, [slachtoffer 2], naar buiten kwam zijn rol is blijven vervullen, ook toen [slachtoffer 2] probeerde te vluchten en toen, nadat zulks was mislukt, deze door een van verdachtes mededaders meermalen met een mes werd gestoken”.
hadgericht – op dat eerdere moment was het vuurwapen dus al op het slachtoffer gericht – drie/vier keer tegen het raam sloeg, maar tevergeefs, en dat deze dader toen een beweging naar achter maakte met de bovenkant van het pistool, en hij naar achter stapte en schoot (bewijsmiddel 1). Getuige [betrokkene 1] (broer van de verdachte) heeft over datzelfde moment verklaard dat er drie personen in het zwart gekleed en met bivakmutsen over hun hoofd op hen kwamen aflopen en dat een persoon aan zijn kant van de auto ging staan en twee personen aan de kant van het slachtoffer. Hij zag dat één van de mannen een pistool bij zich had, dat deze man aan de kant van het slachtoffer stond met het pistool en dat twee mannen het slachtoffer uit de auto trokken onder bedreiging van het pistool (bewijsmiddel 3). Ook een andere getuige had gezien dat het slachtoffer uit de auto werd getrokken en voorts dat het slachtoffer aan zijn hoofd bloedde en in de houdgreep werd vastgehouden (bewijsmiddel 5).
Feit 3: medeplegen toebrengen zwaar lichamelijk letsel in [plaats] door afknippen pink
“Beoordeling van de bewijsvraag in het licht van de gevoerde verweren
1. De in hoger beroep gevoerde verweren
6. Oordeel van het hof ten aanzien van het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving en de zware mishandeling van [slachtoffer]
8. Conclusie
NJ2015/390, m.nt. Mevis en opgemerkt dat de kwalificatie medeplegen slechts dan is gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.