ECLI:NL:HR:2021:825

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 juni 2021
Publicatiedatum
3 juni 2021
Zaaknummer
20/02392
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:56 AwbArt. 8:57 AwbArt. 2 Tijdelijke Wet COVID 19
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof in vennootschapsbelastingzaak en verwijst naar Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Belanghebbende, een vennootschap, was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over de aanslag vennootschapsbelasting 2012, een boetebeschikking en een beschikking inzake belastingrente. Na uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant werd hoger beroep ingesteld bij het Hof 's-Hertogenbosch. Dit Hof deed uitspraak op 19 juni 2020.

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal concludeerde tot gegrondverklaring van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof de regels van een goede procesorde had geschonden, zoals nader toegelicht in een eerder arrest van 9 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:505). Hierdoor kon het arrest van het Hof niet in stand blijven.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling en beslissing, met inachtneming van het arrest. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van belanghebbende. Het arrest werd op 4 juni 2021 in het openbaar uitgesproken door raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/02392
Datum4 juni 2021
ARREST
in de zaak van
[X] N.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 juni 2020, nr. 19/00292, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 18/00030) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2012 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door G.J.M.E. de Bont en A.B. Vissers, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Namens belanghebbende is de zaak schriftelijk toegelicht door De Bont voormeld, advocaat te Amsterdam.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 19 april 2021 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. [1] Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

2.1
Middel II betoogt onder meer dat het Hof in deze zaak de regels van een goede procesorde heeft geschonden. Het middel slaagt in zoverre op de gronden die zijn vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:505, betreffende de aandeelhouder van belanghebbende.
2.2
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Middel I en middel II voor het overige behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 532 dat belanghebbende heeft betaald voor de behandeling van het beroep in cassatie , en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.605 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.M.F. van Loon als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2021.