Conclusie
1.Inleiding
arm’s lengthschatting van de wetgever. Wellicht is het in casu te hoog. Wellicht is € 6.861 correct en is de dga er alleen niet in geslaagd om de wettelijke schatting overtuigend te ontzenuwen (art. 12a(1) en (3) Wet LB, tekst 2012), zulks als gevolg van zijn aangifteverzuim en de daardoor over hem afgeroepen bewijslastomkering en -verzwaring. Dat een salarispost ad € 6.861 bij de betaler en een salarispost ad € 42.000 bij de ontvanger onderling onverenigbaar zijn, wil nog niet zeggen dat die eerste post onjuist is geschat. Wellicht is de tweede te hoog. Bovendien impliceert eventueel overtuigend bewijs van de onjuistheid van het bedrag van € 6.861 nog geenszins overtuigend bewijs dat – en in hoeverre - de
aanslagvennootschapsbelasting te hoog is; de omkering en verzwaring van de bewijslast geldt immers de gehele aanslag; niet slechts één post. Er waren, gegeven het ontbreken van aangiften, diverse punten van onduidelijkheid en geschil, waaronder ook de omvang van belanghebbendes omzet, een afwaardering van € 15.000 en de vaststelling van verrekenbare verliezen. Onduidelijk is gebleven welk bedrag is betaald aan personeelskosten.
aanslagniet overtuigend is gebleken, noch dat de schatting willekeurig was, lijkt mij niet onbegrijpelijk, mede gezien dat 20% van (42.000 – 6.861) € 7.027 verschil in de aanslag uitmaakt. Ik acht daarom het – nogal impliciete - feitelijke oordeel van het Hof dat de schatting niet willekeurig is, ook niet in het licht van de - bij gebrek aan gegevens eveneens geschatte - aanslag inkomstenbelasting, niet onbegrijpelijk. Dat feitelijke oordeel kan voor het overige in cassatie niet worden getoetst. Ik merk daarbij op dat de belanghebbende in feitelijke instanties niet zichtbaar geklaagd heeft over onverenigbaarheid van haar ambtshalve aanslag Vpb met de ambtshalve aanslag IB van haar dga .
bevoegdeInspecteur (Vpb) daarvoor zodanig zou hebben moeten handelen dat de belanghebbende er redelijkerwijze vanuit mocht gaan dat het optreden van de Inspecteur inkomstenbelasting ter zake van het salaris jegens de dga ook zou gelden voor de heffing van de vennootschapsbelasting. Dergelijke omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken . Van coördinatie aan de kant van de belastingdienst is pas in de hoger-beroepsfase gebleken, toen de Inspecteur Vpb ook de IB-zaak overnam omdat zijn behandelende IB-collega met pensioen ging. Van enige (toerekenbare schijn van) materiële (klant)coördinatie bij de aanslagregeling, in bezwaar of in beroep is niet gebleken.
fair hearing. De zaak ware te verwijzen naar hetzelfde gerechtshof als dat waarnaar de zaak van de dga is verwezen.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.Omkering van de bewijslast
BNB1992/127: [8]
BNB2006/205: [14]
BNB2006/205:
5.Een redelijke schatting
BNB1955/51, [15] waarin u overwoog:
probatio diabolica. De van de inspecteur te vergen redelijkheid brengt ook mee dat als de belanghebbende het wettelijke juistheidsvermoeden weerlegd heeft, de inspecteur de aanslag niet desondanks kan handhaven op basis van de stelling dat die weerlegging niet uitsluit dat er nog ander inkomen was. U overwoog in HR
BNB1957/40: [16]
BNB1994/65 [17] volgt dat na indiening van het beroepschrift bij de rechter, de informatievorderingsbevoegdheiden jegens de belastingplichtige overgaan van de inspecteur naar de rechter, maar dat de daaruit volgende onbevoegdheid van de inspecteur niet meebrengt dat hij elk bewijsaanbod kan afslaan en zich desondanks kan blijven beroepen op de omkering van de bewijslast:
BNB1993/330 [18] overwoog u daaromtrent:
FED1994/45 vat de bovenstaande rechtspraak als volgt samen:
BNB2005/339 [19] volgt dat de rechter zijn eigen redelijke schatting in de plaats stelt van die van de Inspecteur als hij die laatste schatting niet redelijk acht en onvoldoende gegevens voorhanden zijn om anders dan door schatting tot een belastingbedrag te geraken:
BNB1955/51). Dat geldt ook wanneer de wettelijke omkering (met verzwaring) van de bewijslast van toepassing is. Het arrest HR 22 februari 1989, nr. 12 051,
BNB1989/145 zou de indruk kunnen wekken dat de aanwezigheid van een redelijke grond voor de vaststelling van de aanslag het enige criterium is. In HR 29 september 1993, nr. 28 400,
BNB1993/330c staat daarentegen het verbod van willekeur centraal. In het arrest HR 28 maart 2003, nr. 38 039,
BNB2003/203*, brengt de Hoge Raad weer een synthese aan: net als in het arrest
BNB1955/51 worden het verbod van willekeur en de eis van een redelijke schatting in één adem genoemd. Deze formulering, die in het thans gepubliceerde arrest terugkomt, wijst erop dat de Hoge Raad beide criteria als synoniem ziet. Waar de redelijkheid ophoudt, begint willekeur.”
BNB2011/206, rechtsoverweging 4.4.3). Daarvan uitgaande zal de inspecteur op basis van de feiten en omstandigheden van het geval aanknopingspunten dienen te verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn berekening of schatting van de (navorderings)aanslag niet onredelijk en dus niet willekeurig is.”
BNB2005/339 [23] volgt dat de rechter van ambtswege zelf redelijk (‘in goede juistitie’) kan schatten als hij de schatting van de fiscus te hoog acht:
6.Elke aanslag staat op zichzelf
BNB1953/84. [24] In die zaak had de belanghebbende voor 1946 een verlies ad circa f 65.000 genomen. De inspecteur had een aanslag opgelegd naar een belastbaar bedrag ad circa f 47.000. De belanghebbende had daartegen geen bezwaar ingediend. Hij wilde vervolgens het verlies 1946 in mindering brengen op het inkomen over 1947. U overwoog:
BNB1953/84:
BNB1972/253 [25] betrof een aanslag inkomstenbelasting 1966 ad circa f 9.000 die onherroepelijk was geworden. Daarna was een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1966 opgelegd ad circa f 11.000, waartegen wel bezwaar en beroep was aangetekend. Bij het Hof had de belanghebbende verzocht om de navorderingsaanslag te vernietigen, en de Inspecteur om het belastbaar inkomen vast te stellen op circa f 5.500. Omdat de inspecteur had verzocht om het belastbaar inkomen lager vast te stellen dan f 9.000, vernietigde het Hof de navorderingsaanslag. De primitieve aanslag, hoezeer ook evenzeer te hoog, vernietigde het Hof niet omdat hij onherroepelijk was. U oordeelde:
BNB2000/343 [26] overwoog u:
BNB2010/65 [27] betrof een belanghebbende en diens broer, die beiden voormalige vennoten in een v.o.f. waren en onder dezelfde inspecteur vielen. In hun aangiften hadden ze identieke standpunten ingenomen. De aanslag van broer was overeenkomstig de aangifte opgelegd, terwijl bij belanghebbende werd gecorrigeerd. U oordeelde als volgt over het beroep van de belanghebbende op de behandeling van zijn broer:
BNB2021/35 [28] blijkt dat zelfs als het om dezelfde belastingplichtige gaat, de ene Inspecteur (vennootschapsbelasting) de andere (overdrachtsbelasting) niet bindt ter zake van reorganisatievrijstellingen in verschillende belastingen, zelfs niet als uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever voor zover mogelijk synchronisatie van die vrijstellingen wenste. De vraag was of de toepassing van de splitsingsvrijstelling door de Inspecteur vennootschapsbelasting automatisch ook leidde tot toepassing van de splitsingsvrijstelling voor de overdrachtsbelasting. U overwoog:
gehele aanslagvennootschapsbelasting onjuist is, gegeven dat er diverse geschilpunten, onzekerheden en dus schattingen waren. Onduidelijkheid bestond ook, behalve over de hoogte van de aftrekbare personeelskosten, over de omvang van belanghebbendes omzet en daarmee van haar opbrengsten, over een gestelde afwaardering ad € 15.000 en over in het verleden geleden verliezen.
7.Beoordeling
Middel I
arm’s lengthschatting van de wetgever. Wellicht is het in casu te hoog. Wellicht is € 6.861 correct en is de dga er alleen niet in geslaagd om de wettelijke schatting overtuigend te ontzenuwen op de voet van lid 1 of lid 3 van art. 12a Wet LB (tekst 2012), zulks als gevolg van zijn aangifteverzuim en de daardoor over hem afgeroepen bewijslastomkering en -verzwaring. Dat een salarispost ad € 6.861 bij de betaler en een salarispost ad € 42.000 bij de ontvanger onderling onverenigbaar zijn, wil dus nog niet zeggen dat die eerste post onjuist is geschat. Wellicht is de tweede te hoog.
aanslagvennootschapsbelasting te hoog is; de omkering en verzwaring van de bewijslast geldt immers de gehele aanslag; niet slechts één post. Uit de uitspraak van de Rechtbank [31] blijkt dat er diverse punten van onduidelijkheid en geschil waren, waaronder ook de omvang van belanghebbendes omzet, een afwaardering van € 15.000 en de vaststelling van verrekenbare verliezen.
aanslagniet overtuigend is gebleken, noch dat de schatting onredelijk zou zijn geweest, lijkt mij niet onbegrijpelijk, mede gezien dat 20% (het Vpb-opstaptarief in 2012) van (42.000 – 6.861) € 7.027 verschil in de aanslag uitmaakt.
bevoegdeInspecteur (Vpb) daarvoor zodanig zou hebben moeten handelen dat de belanghebbende er redelijkerwijze vanuit mocht gaan dat het optreden van de Inspecteur inkomstenbelasting ter zake van het salaris jegens de dga ook zou gelden voor de heffing van de vennootschapsbelasting. Dergelijke omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken. Van coördinatie aan de kant van de belastingdienst is pas (laat) in de hoger-beroepsfase gebleken, toen de Inspecteur Vpb blijkens het proces-verbaal van de Hofzitting verklaarde: