Conclusie
erfpachtster) heeft in 2003 een in 1978 gevestigd erfpachtrecht (met opstalrecht) op het perceel van verweerster in cassatie (hierna:
de stichting) overgenomen. In 2003 is de erfpacht verlengd tot 2018. De stichting heeft te kennen gegeven de erfpachtovereenkomst na 2018 niet met erfpachtster te willen voortzetten. Volgens erfpachtster heeft zij er echter gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat haar een aanbod tot voortzettin onder marktconforme voorwaarden zou worden gedaan. Dit is volgens het hof niet het geval. Dit oordeel wordt in cassatie bestreden. Het hof heeft de bij het einde van het erfpachtrecht door de stichting te betalen opstalvergoeding vastgesteld aan de hand van een bepaling uit de vestigingsakte. In cassatie gaat het om de vraag of deze bepaling vernietigbaar is op grond van art. 5:105 jo Pro. 5:99 BW. Voorts wordt in cassatie opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de vordering tot vernietiging verjaard is (art. 3:52 BW Pro). Tot slot zijn klachten gericht tegen de achtereenvolgende beslissingen van het hof om de zitting wegens de corona-pandemie digitaal (via Skype) te laten plaatsvinden en, ondanks een rommelig verloop, verdere doorgang te laten vinden.
1.Feiten
de vestigingsakte) [2] heeft de stichting een perceel grond in erfpacht uitgegeven aan [betrokkene 1] .
Eigendom erfpachter
(…)
(…)
de verlengingsakte). In deze akte staat onder
Bepalingen, voor zover hier van belang, het volgende:
(…) In uw brief van 4 maart jl.verzoekt u om verlenging van het erfpachtcontract voor een periode van 30 jaar. Het huidige contract eindigt in 2018. Op dat moment zal een nieuw contract gesloten worden tegen de dan geldende marktconforme voorwaarden. Verlenging van het huidige contract met 30 jaar is niet aan de orde. De mogelijkheid bestaat om het contract tussentijds open te breken maar [de stichting] ziet daar op dit moment geen aanleiding toe.
(…)
2.Procesverloop
- subsidiair: dat de stichting aan erfpachtster dient te vergoeden (i) een bedrag van € 275.000,-, geïndexeerd naar 1 november 2018, en tevens (ii) de naar die datum geïndexeerde investeringen die erfpachtster heeft gedaan, waaronder in ieder geval de verbouwing van [A] en de woning, de uitbreiding van de Bergschuur, de aanleg van terras en tuin, de bouw van de bed and breakfast en de bouw van de paardenstal. [18]
grief 2komt zij op tegen de afwijzing van de vorderingen (a) en (b).
Grief 4bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de bevoegdheid van erfpachtster tot vernietiging van art. 15 van Pro de vestigingsakte is verjaard zodat overeenkomstig deze bepaling moet worden afgerekend.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelis gericht tegen het oordeel van het hof dat erfpachtster geen beroep op gerechtvaardigd vertrouwen op voortzetting van het erfpachtrecht na 2018 toekomt. De
onderdelen 2 t/m 4zijn gericht tegen het oordeel dat art. 15 van Pro de vestigingsakte bepalend is voor de vaststelling van de vergoeding die de stichting aan erfpachtster dient te betalen bij het einde van de erfpacht.
Onderdeel 5richt zich tegen de beslissingen van het hof om de zitting in verband met de coronapandemie digitaal (via Skype) te laten plaatsvinden en, ondanks een rommelig verloop, verdere doorgang te laten vinden
.
(…) In uw brief van 4 maart jl. verzoekt u om verlenging van het erfpachtcontract voor een periode van 30 jaar. Het huidige contract eindigt in 2018. Op dat moment zal een nieuw contract gesloten worden tegen de dan geldende marktconforme voorwaarden. Verlenging van het huidige contract met 30 jaar is niet aan de orde. De mogelijkheid bestaat om het contract tussentijds open te breken maar [de stichting] ziet daar op dit moment geen aanleiding toe.”
Middels deze brief doe ik een aanvraag voor het verlengen van het erfpachtcontract voor 30 jaar. Ik hoop spoedig iets van u te mogen vernemen.”
subonderdeel 1.1.1wordt geklaagd dat het hof bij de beoordeling in rov. 4.10 van de brief van 26 maart 2010 van de toenmalige directeur-rentmeester [betrokkene 2] heeft miskend dat voor de vraag of de stichting jegens erfpachtster een rechtens bindende toezegging heeft gedaan, de maatstaf van art. 3:33 jo Pro. 3:35 BW doorslaggevend is. Anders dan het hof in rov. 4.10 kennelijk tot uitgangspunt neemt, is niet doorslaggevend of [betrokkene 2] een onvoorwaardelijke toezegging heeft gedaan, maar of erfpachtster in de gegeven omstandigheden
gerechtvaardigd erop heeft mogen vertrouwendat door [betrokkene 2] namens de stichting een dergelijke toezegging is gedaan. Het hof heeft deze maatstaf miskend, aldus de klacht.
eerste volzinvan rov. 410. Het hof zou de – in rov. 4.9 terecht vooropgestelde – maatstaf van het gerechtvaardigd vertrouwen in de eerste volzin van rov. 4.10 ten onrechte hebben “vertaald” tot de vraag of in de brief een
onvoorwaardelijke toezeggingis gedaan (s.t., nr. 3.7-3.8). In rov. 4.10 zou het beroep van erfpachtster op gerechtvaardigd vertrouwen door het hof aldus zijn beoordeeld dat sprake zou moeten zijn van een zelfstandige, onvoorwaardelijke toezegging in de brief, zónder daarbij de maatstaf van het gerechtvaardigd vertrouwen te betrekken (s.t., nr. 3.9).
mocht opvatten. Bij zijn toepassing van deze maatstaf respondeert het hof in rov. 4.10, 2e volzin, kennelijk op de stelling van erfpachtster dat “uit de tekst” van de aan haar gerichte brief “objectief gelezen” blijkt dat het erfpachtrecht tegen marktconforme voorwaarden met haar zal worden voortgezet (MvG, nr. 4.26). Het hof verwerpt deze stelling, waarbij het mede gewicht toekent aan de omstandigheid dat de brief strekt tot beantwoording van de vraag naar verlenging van het erfpachtcontract. De vraag of erfpachtster erop “
mocht vertrouwen” dat de stichting een in 2018 nieuw te sluiten contract ook zonder meer met haar zou sluiten (rov. 4.10, slot) wordt vervolgens in rov. 4.11 en 4.12 nader beoordeeld aan de hand van de aldaar genoemde omstandigheden (vgl. rov. 4.11, eerste volzin: “
Ook in de overige omstandigheden…”). De bestreden rechtsoverweging 4.10 maakt dus deel uit van de toepassing (in rov. 4.10-4.12) van de in rov. 4.9 vooropgestelde maatstaf van het gerechtvaardigd vertrouwen.
subonderdeel 1.1.2is het oordeel van het hof in rov. 4.10 onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd in het licht van de (essentiële) stellingen en omstandigheden dat:
zalworden tegen de dan geldende voorwaarden (oproepingsbericht, § 2.40 en 2.41);
‘parcours d’aventures’
,schuilstal voor paarden, bed & breakfast
),welke investeringen door de stichting gesteund werden (oproepingsbericht, § 3.8-3.11 jo. productie 22, § 3.15; MvG, § 4.26);
maar in 2018 een nieuwe overeenkomst zou volgen(oproepingsbericht, § 3.11 en 3.12; MvG, § 4.26);
eerste aanleg, ziet het eraan voorbij dat het hof de betreffende stellingen niet (zonder meer) in zijn beoordeling behoefde te betrekken. Het was immers aan erfpachtster, als appellante, om in hoger beroep te onderbouwen waarom het oordeel van de rechtbank dat de brief van 26 maart 2010 niet als toezegging tot heruitgifte aan haar mocht worden opgevat, geen stand kan houden. Het hof mocht zich beperken tot de als essentieel aan te merken stellingen van erfpachtster in hoger beroep.
stellingen (i) en (ii)op die grond reeds faalt. Bovendien ligt in rov. 4.10 besloten dat het hof het tekstuele argument (“
zal”) verwerpt. Ten slotte is op de bij stelling (ii) aangegeven vindplaatsen de hoedanigheid van de afzender van de brief niet als argument naar voren gebracht.
maar”dat in 2018 een nieuwe overeenkomst met haar zou volgen.
onder (v)genoemde stellingen in MvG, nr. 4.15 begrijpelijkerwijs opgevat gevat als een nadere toelichting op c.q. uitwerking van de eraan voorafgaande stelling (MvG, nr. 4.14) dat erfpachtster het erfpachtrecht slechts 16 jaar heeft kunnen gebruiken, hetgeen korter dan gebruikelijk is. Het hof heeft al deze stellingen beoordeeld in rov. 4.6 (zie 1e volzin en “Zij heeft slechts gesteld ….. voort te zetten.”).
onder (vi)genoemde verklaring van de taxateur (prod. F) is eerst ingebracht ten behoeve van de comparitie bij het hof. In haar pleitnotities (nr. 7) heeft erfpachtster deze verklaring niet in verband gebracht met de uitleg van de brief van 26 maart 2010. Zij heeft getuigenbewijs aangeboden van de stelling dat in 2014 door de stichting aan de taxateur was meegedeeld dat het erfpachtcontract zou doorlopen en dat enkel de canon marktconform zou worden vastgesteld. De stichting heeft de verklaring gemotiveerd betwist. [36] De beoordeling van de hier bedoelde stelling ligt besloten in de beslissing van het hof om het bewijsaanbod van erfpachtster te verwerpen op de grond dat haar stellingen onvoldoende zijn onderbouwd (rov. 4.32), tegen welke beslissing in cassatie niet wordt opgekomen.
eerste klachtis gericht tegen de vaststelling van het hof in rov. 4.11 dat erfpachtster (in 2010)
moest begrijpendat de door de stichting in 2002 gestelde
voorwaarden nog steeds golden.
(i)dat de mededeling van [betrokkene 2] (in de brief van 26 maart 2010) dat wel een nieuwe erfpachtovereenkomst zou worden gesloten, acht jaar later werd gedaan, zónder dat naar die voorwaarden werd verwezen. [37]
met erfpachtster, omdat het hof, in cassatie tevergeefs bestreden, heeft geoordeeld dat die toezegging niet in de brief te lezen valt (rov. 4.10).
(ii)de toenmalig directeur-rentmeester [betrokkene 3] in 2003 heeft geadviseerd de lopende erfpachtovereenkomst over te nemen omdat die na afloop zou worden voortgezet, van welke stelling erfpachtster uitdrukkelijk bewijs heeft aangeboden.
niettevens afhankelijk zou zijn van het ook op dat moment voldoen aan de meegedeelde voorwaarden.
tweede klachtkeert zich tegen de vaststelling dat erfpachtster
niet heeft betwistdat zij zich van (ik lees: de gelding c.q. relevantie van) die voorwaarden bewust was. Deze vaststelling is onnavolgbaar, omdat zij zich erop heeft beroepen dat de mededelingen van directeur-rentmeester [betrokkene 3] (in 2003) en directeur [betrokkene 2] (in de brief van 26 maart 2010) bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat de erfpachtovereenkomst na 2018 in ieder geval zou worden voortgezet, en dat zij op die basis verdere investeringen in de onderneming heeft gedaan waartegen de stichting zich niet heeft verzet. [38] Daarmee heeft erfpachtster ook betwist dat die voorwaarden voor voortzetting van de overeenkomst relevant waren, aldus de klacht.
derde klachtkomt op tegen het oordeel van het hof dat de bewustheid van erfpachtster ten aanzien van de drie voorwaarden
blijkt uit haar brief van 21 december 2016. Dit oordeel zou zonder nader motivering onnavolgbaar zijn, omdat (a) erfpachtster in die brief juist allereerst (op p. 2) verwijst naar de toezegging van directeur [betrokkene 2] uit 2010 en (b) zij enkel in reactie op een mededeling van de stichting in 2015, waarin die voorwaarden kennelijk ter sprake zijn gekomen, schrijft dat zij ook overigens aan die voorwaarden voldoet.
ius tollendi, art. 5:89 lid 3 BW Pro). Indien aan de erfpachter een verplichting tot het aanbrengen van gebouwen etc. is opgelegd, mag hij deze niet wegnemen. [41]
a. indien de in erfpacht gegeven grond een andere bestemming had dan die van woningbouw;
b. indien de erfpachter de gebouwen, werken en beplantingen niet zelf heeft bekostigd;
c. indien de erfpacht geëindigd is door opzegging door de erfpachter;
d. voor zover de gebouwen, werken of beplantingen onverplicht waren aangebracht en hij ze bij het einde van de erfpacht mocht wegnemen.
marktwaardevan de opstallen, los van de waarde van de grond. [52] In de taxatiepraktijk worden verschillende methoden gebruikt om een dergelijke splitsing te bewerkstelligen. [53] Bij mijn weten heeft uw Raad zich over een criterium nog niet expliciet uitgelaten. Wel werd het cassatieberoep verworpen tegen het oordeel dat het begrip ‘waarde van de opstallen’ (opgenomen in een beding in erfpachtvoorwaarden) moest worden uitgelegd als ‘de door een redelijk handelend koper als aanvaardbaar te aanvaarden koopprijs van de opstallen’. [54] Verder heeft uw Raad overwogen dat het bij art. 5:99 BW Pro gaat om een recht op
volledigevergoeding van de waarde van aangebrachte gebouwen, werken of beplantingen. [55]
Ow) ligt het principe van onmiddellijke werking ten grondslag (art. 68a Ow). Daarnaast geeft art. 69 Ow Pro uitdrukking aan het subsidiair geldende beginsel van eerbiediging van verkregen rechten. De nadere regeling van het overgangsrecht voor de rechten van erfpacht en opstal in de artikelen 166-171 Ow moet als een nadere uitwerking of uitzondering op die beginselen worden gezien. [62]
subonderdeel 2.2(subonderdeel 2.1 bevat een inleiding) heeft het hof met zijn oordeel in rov. 4.19 – dat art. 5:99 BW Pro niet van toepassing is op de vestigingsakte – miskend dat art. 170 Ow Pro slechts bepaalt dat art. 5:99 BW Pro niet van toepassing is op erfpachtrechten die ten tijde van het in werking treden van de wet (in 1992) bestaan. Art. 170 Ow Pro NBW ziet niet op opstalrechten en de regeling van art. 5:105 BW Pro. Op de voet van art. 68a Ow komt daarom aan de regeling van art. 5:105 lid 3 BW Pro jo. 5:99 lid 1 BW wel directe werking toe. Daaraan doet niet af dat een opstalrecht en de in dat kader overeengekomen vergoedingsplicht afhankelijk zijn van een erfpachtrecht, aldus erfpachtster.
afhankelijkopstalrecht. Het hof heeft dit afgeleid uit de wijze waarop het opstalrecht in de akte van vestiging is neergelegd, namelijk door de enkele vermelding in art. 6 dat Pro het erfpachtrecht tevens een opstalrecht inhoudt. Dat wil niet zeggen dat geen sprake is van twee afzonderlijke rechten met hun eigen regime. [72] Ik wijs op art. 20 van Pro de akte, dat bepaalt dat voor zover daarvan in de overeenkomst niet is afgeweken, zowel de wettelijke bepalingen inzake het recht van erfpacht als die inzake het recht van opstal van toepassing zijn. Ook anderszins is de kwalificatie ‘afhankelijk’ in dit kader niet relevant. Zoals uiteengezet (alinea 3.41-3.42), onderscheidt art. 5:105 lid 3 BW Pro – anders dan art. 5:104 BW Pro – bij de overeenkomstige toepasselijkverklaring van de aan de orde zijnde erfpachtbepaling (in casu art. 5:99 BW Pro) niet tussen zelfstandige en afhankelijke opstalrechten.
subonderdeel 2.3geklaagd dat het hof heeft miskend dat de regeling van art. 5:105 lid 3 jo Pro. 5:99 BW op de voet van art. 170 Ow Pro wel van toepassing is op erfpacht- en/of opstalrechten en in dat kader overeengekomen vergoedingsplichten die aflopen na 1992 en krachtens een na 1992 verrichte rechtshandeling zijn verlengd. Voor zover het hof dit niet heeft miskend, heeft het zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat de per 30 oktober 2008 (dus na 1992) aflopende erfpacht- en opstalrechten van erfpachtster op 21 januari 2003 (dus na 1992) tot 30 oktober 2018 zijn verlengd, waarbij in de notariële akte is overeengekomen dat de initiële voorwaarden, waaronder de vergoedingsplicht, ongewijzigd van kracht blijven.
woningconform het bepaalde in art. 5:99 lid 1 BW Pro en dat voor zover de vergoedingsregeling in de akte een beperking van die vergoedingsplicht behelst, sprake is van
vernietigbaarheidop de voet van art. 3:40 lid 2 BW Pro (vonnis, rov. 4.25-4.27). Die sanctie als zodanig – vernietigbaarheid – is in appel niet bestreden. Wel heeft erfpachtster met haar grief 4 in principaal appel betoogd dat het vergoedingsbeding ondeelbaar is, hetgeen meebrengt dat dit door haar
geheelis vernietigd (MvG, nr. 4.82-4.84). Op haar beurt klaagt de stichting met haar grieven 1 en 2 in incidenteel appel dat sprake is van een
bedrijfswoning, waarvoor een uitzondering op de vergoedingsplicht geldt zodat geen sprake is van strijd met enige wetsbepaling (art. 5:99 lid Pro 2, aanhef en sub a, BW) (MvA, nr. 97-104; zie ook nrs. 50 en 76).
onderdeel 3gericht, dat naar mijn mening faalt. Dit betekent dat de verjaringstermijn voor de vordering tot vernietiging verstreken is.
strijd’ met art. 5:99 lid 1 BW Pro (ten aanzien van uitsluitend de woning dan wel alle opstallen) precies bestaat.
Erfpachtster gaat ervan uit dat haar op grond van die bepaling een ‘
marktconforme’ opstalvergoeding c.q. de ‘
werkelijke waarde’ van de opstallen etc. toekomt, welke volgens haar op grond van art. 15 van Pro de vestigingsakte en het in de verlengingsakte vastgestelde (volgens haar: ‘gefixeerde’) bedrag van € 275.000,- niet wordt bereikt, ter onderbouwing van welke stelling zij wijst op een taxatierapport van 15 oktober 2002 en de door haar in 2003 betaalde koopprijs voor de opstallen ad € 560.670,-. [74] De stichting heeft dit opgevat als het betoog van erfpachtster dat art. 5:99 lid 1 BW Pro strekt tot vergoeding van de ‘
marktwaarde’, welk betoog als zodanig door haar niet is betwist. [75] Zij heeft onder het kopje ‘Feitenweergave’ gesteld dat het bedrag van € 275.000,- per 1 december 2002 een ‘tussenstand’ betreft [76] en dat de overgelegde taxatie en de door erfpachtster betaalde koopprijs niet overeenkomen met de reële waarde van de opstallen in 2003. [77] In het kader van de formulering van haar juridische verweren heeft zij echter niet bestreden dat een vergoeding van de marktwaarde anno 2018 op basis van de tussen partijen geldende regeling niet wordt gerealiseerd. [78] Integendeel, ook in cassatie wordt door de stichting onderschreven dat op grond van de vestigingsakte niet de ‘werkelijke waarde’ bij het einde van het recht zou worden vergoed. [79]
aanvallendberoep op de vernietigingsgrond heeft gedaan, en niet – zoals erfpachtster heeft gesteld en door de stichting is betwist [81] – een afwerend beroep (rov. 4.31). Dit oordeel van het hof brengt mee dat niet art. 3:51 lid 3 BW Pro, maar de verjaringsregeling van art. 3:52 BW Pro van toepassing is. Voor zover erfpachtster in haar schriftelijke toelichting (nr. 5.3) een klacht tegen dit oordeel formuleert, is deze tardief.
ten dienste is komen te staan’,ofwel het moment dat betrokkene zijn vernietigingsbevoegdheid ‘
daadwerkelijk kan uitoefenen’.Verwezen zij naar de overwegingen van uw Raad in het arrest
Stern/Gulf [83] :
beroep op het bedingin kwestie is gedaan. [88] In de totstandkomingsgeschiedenis van art. 3:52 BW Pro is opgemerkt dat ook in andere gevallen het begrip ’ten dienste is komen te staan’ kan inhouden dat degene die zich op een vernietigingsgrond kan beroepen, met een beroep op de vernietigbare rechtshandeling geconfronteerd moet worden, wil de verjaringstermijn een aanvang nemen. Daartoe wordt erop gewezen dat art. 3:52 lid 1 onder Pro d BW mede geformuleerd is met het oog op gevallen waarin een oorzaak van vernietigbaarheid aan de tot vernietiging bevoegde persoon
ter kennismoet komen om te kunnen worden ingeroepen. Het ligt voor de hand dat zich dit kan voordoen doordat de wederpartij zich op de rechtshandeling beroept, bijvoorbeeld door daarvan nakoming te vorderen, aldus de minister. [89] In het zojuist genoemde arrest
Stern/Gulfheeft Uw Raad overwogen dat uit de wetsgeschiedenis van genoemde bijzondere bepalingen (art. 6:235 lid 4 en Pro 7:614 BW) blijkt dat de wetgever zich bij de invulling van het begrip ‘ten dienste staan’ heeft laten leiden door de specifieke rechtsverhoudingen waarop die voorschriften betrekking hebben en geoordeeld dat onvoldoende grond bestaat voor categorische toepassing van deze specifieke invulling van het begrip ‘ten dienste staan’ op andere vernietigingsgronden in andere rechtsverhoudingen. [90]
NJ2006/115). Voor het gaan lopen van de verjaringstermijn van art. 3:52 lid Pro 1, aanhef en onder d, BW is bepalend welke feiten en omstandigheden bekend zijn, en niet of bekendheid bestaat met de juridische beoordeling daarvan.”
subonderdeel 3.2.
eigen stellingenvan erfpachtster omtrent hetgeen de ‘strijdigheid’ van de contractuele regeling met art. 5:99 lid 1 BW Pro uitmaakt, te weten dat het in de verlengingsakte genoemde bedrag van € 275.000,- aanzienlijk lager is dan het door haar betaalde bedrag van € 560.670,- (zie hiervoor, alinea 3.66). Het hof heeft overwogen dat dat feit haar “
toen” – na het tekenen van de verlengingsakte – “
al duidelijk moet zijn geweest”, zodat de verjaringstermijn toen is gaan lopen. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat erfpachtster vanaf dat moment haar vernietigingsbevoegdheid ‘daadwerkelijk kon uitoefenen’, waarmee het hof het juiste criterium heeft gehanteerd. [92] Hieruit volgt tevens dat het subonderdeel feitelijke grondslag mist voor zover het betoogt dat het hof als criterium hanteert vanaf welk moment het de vernietigingsbevoegde duidelijk moet zijn geweest dat hem een vernietigingsbevoegdheid toekwam.
eindigten de waarde van de gebouwen, werken en beplantingen daadwerkelijk tussen partijen wordt en kan worden vastgesteld.
medeheeft betaald voor de overname van het bedrijf van [betrokkene 1] (goodwill) en inventaris [101] alsmede voor de mogelijkheid om tegen een gunstige canon het bestaande erfpachtcontract op een prachtige locatie voort te zetten.
Zoals hiervoor is overwogen is in het deskundigenbericht uitgegaan van de som van het geïndexeerde bedrag van € 275.000,- en de geïndexeerde investeringen die [erfpachtster] met goedkeuring van [de stichting] heeft gedaan. Aldus is een naar objectieve maatstaven vast te stellen waarde van het erfpachtrecht bepaald, waarbij rekening is gehouden met de belangen van beide partijen. (…).”
erfpachtrechtis bepaald. Het bedrag van € 275.000,- ziet blijkens art. 15 van Pro de vestigingsakte op de prijs van de
opstallenen niet op de waarde van het erfpachtrecht. Dit klemt, aldus erfpachtster, te meer nu erfpachtster in deze procedure gemotiveerd naar voren heeft gebracht dat het erfpachtrecht op 23 februari 2009 is getaxeerd op € 1.375.827,-, terwijl latere taxaties dit beeld bevestigden. Het oordeel van het hof, waarin op deze aspecten niet (voldoende) is ingegaan, is in zoverre onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
NJ2020/182 m.nt. F.M.J. Verstijlen (
VvE/Gemeente Bloemendaal) heeft betrekking op de regeling van art. 5:87 leden Pro 2 en 3 BW. Deze ziet op beëindiging van een erfpachtrecht door middel van opzegging door de eigenaar. Na het einde van het erfpachtrecht is de eigenaar verplicht tot vergoeding van de actuele waarde van het erfpachtrecht (lid 2, 3e volzin). [102] Een beding dat ten nadele van de erfpachter daarvan afwijkt is nietig (lid 3).
analoogaan de bij toepassing van art. 5:75 lid 2 BW Pro te hanteren maatstaf, in het onderhavige geval is voldaan aan het vereiste van een volgens objectieve maatstaven vastgestelde waarde van de
opstallen.
onderdeel 5wordt opgekomen tegen de beslissingen van het hof om de zitting op 15 juni 2020 digitaal te laten plaatsvinden (subonderdeel 5.1) en, ondanks een rommelig verloop, voort te zetten (subonderdelen 5.2 en 5.3).
Subonderdeel 5.1klaagt dat het hof, mede gelet op het bij formulier H-16 gedane verzoek van erfpachtster om een fysieke zitting te houden, ten onrechte art. III
Tijdelijke regeling handelszaken in hoger beroepheeft toegepast. Daartoe wordt aangevoerd dat deze bepaling in strijd is met art. 27 Rv Pro, art. 121 Gw Pro en art. 6 EVRM Pro, die het recht op een eerlijk proces en een openbare zitting garanderen. Een digitale zitting is naar haar aard, en in het onderhavige geval ook feitelijk, beperkt tot degenen die beschikken over de inloggegevens voor de zitting en is (daarmee) niet openbaar, aldus erfpachtster.
openbare terechtzitting’. Deze constatering is in cassatie niet bestreden. Verder wordt opgetekend dat de mondelinge behandeling plaatsvindt via Skype (p. 1).
fase 1), konden slechts zeer urgente zaken (lijst 1-zaken) online (via Skype en telehoren) of telefonisch op zitting worden behandeld. De hiervoor genoemde brief van het hof van 6 mei 2020, waarin zij partijen kennelijk drie opties voor het houden van de comparitie heeft voorgelegd, is geschreven in
fase 2, die duurde van 7 april 2020 tot en met 10 mei 2020. In die periode werden naast de zeer urgente zaken ook urgente zaken (lijst 2-zaken) online of telefonisch op zitting behandeld; daarnaast zijn veel zaken schriftelijk afgedaan. Per 11 mei 2020 ging
fase 3van start, waarin de mondelinge behandeling van rechtszaken, ook fysiek, met inachtneming van de beschermende overheidsmaatregelen zoals de 1,5-meterregel, weer geleidelijk werd hervat. Daarna volgden nog andere fasen, waarbij ook weer publiek werd toegelaten. [107]
Tijdelijke Algemene regeling zaaksbehandeling Rechtspraak(hierna:
TAR) vastgesteld. [108] De TAR bevat onder andere regels omtrent de wijze waarop de zitting dient plaats te vinden. Zo schrijft art. 1.2.1 TAR [109] op dit moment voor dat het gerecht bepaalt of een zitting plaatsvindt met fysieke aanwezigheid van procespartijen en overige procesdeelnemers, of online. Indien een fysieke of online zitting niet mogelijk is, kan de zitting telefonisch plaatsvinden. Voor de criteria wordt verwezen naar de tijdelijke regelingen per rechtsgebied die zijn opgesteld door de Landelijke Overleggen Vakinhoud. [110]
Tijdelijke regeling handelszaken in hoger beroep(hierna:
TRHHB), vastgesteld door het LOVC-hoven. [111]
openbaarheidin tijden van corona. [129] Het ging daarbij om een fysieke zitting waarbij geen publiek maar wel pers aanwezig mocht zijn. De overwegingen kunnen mijns inziens ook betekenis hebben voor digitale zittingen:
subonderdeel 5.2wordt geklaagd dat het impliciete oordeel van het hof om de digitale zitting, ondanks de hierna te noemen omstandigheden, doorgang te laten vinden, in strijd is met art. 6 EVRM Pro. Het gaat om de volgende omstandigheden:
a. rommelig verloop van de zitting;
b. geluidsproblemen, bestaande uit meerdere constateringen over en weer dat delen van hetgeen werd gezegd door anderen niet werd gehoord, dat het geluid uitviel en dat er een storende echo was, die maakten dat van de zitting die werd gehouden via een digitale beeld- en geluidverbinding niet kan worden gezegd dat deze de fysieke zitting zoveel mogelijk benadert [143] ;
c. schorsing van de zitting als gevolg van de geluidsproblemen;
d. uitlatingen van erfpachtster dat op deze wijze de argumenten niet goed voor het voetlicht konden worden gebracht. Deze uitlatingen blijken uit de in cassatie overgelegde transcriptie van de zitting maar niet uit het proces-verbaal van de zitting, dat buiten tegenwoordigheid van partijen is opgemaakt en eerst na het arrest aan partijen is toegezonden.
subonderdeel 5.3, is de beslissing om de digitale zitting (verdere) doorgang te laten vinden onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd in het licht van
(i) de hiervoor onder a tot en met d genoemde omstandigheden en
(ii) de omstandigheid dat het proces-verbaal van de zitting, dat buiten aanwezigheid van partijen is opgemaakt, door de erfpachtster eerst werd ontvangen nadat het arrest was gewezen, hetgeen haar ten onrechte heeft beroofd van de mogelijkheid om te gaan of alle essentiële stellingen die tijdens de rommelig verlopen digitale zitting namens haar zijn betrokken, waaronder het bezwaar dat is gemaakt tegen het rommelige verloop van de zitting, wel in het proces-verbaal waren opgenomen en (op die wijze) door het hof bij het nemen van de beslissing kunnen zijn betrokken en om – bij gebleken gebrek aan het proces-verbaal – het hof dienovereenkomstig voorafgaand aan het wijzen van het arrest te informeren. Dit klemt volgens erfpachtster temeer nu het hof in weerwil van de roldatum van 25 augustus 2020 voor arrest, al op 30 juni 2020 (vijftien dagen na zitting) arrest heeft gewezen.
wat u van de zitting vond op deze manier”: “
In het begin vond ik het overigens wel onprettig want dat verbrak het denkproces en de manier van uiting natuurlijk behoorlijk, maar in zijn algemeenheid, nee, vind ik het wel een goed[e] manier.” (p. 13).